Een bioscoop verkoopt 2 000 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −2,5. Als de kaartjesprijs met 4 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
De prijselasticiteit van de vraag naar een product is −0,3. De prijs wordt met 5 % verhoogd. Met welk percentage %ΔQ verandert de gevraagde hoeveelheid?
Als de prijs van een kaartje verandert van €8,00 naar €10,50, verandert de weekafzet van 500 naar 190. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Van een product worden 5 000 stuks per maand verkocht voor €12. De prijselasticiteit van de vraag is −2,5. Het bedrijf verandert de prijs met −10%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product is Q = 2500 − 50P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
De vraag naar een product is Q = 1000 − 10P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Antwoordenblad
- 1. Q = 1800 kaartjes
- 2. %ΔQ = −1,5 %
- 3. E = −3,325
- 4. ΔR = 7500 €
- 5. P = 25 €
- 6. P = 50 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.