Een bioscoop verkoopt 800 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,8. Als de kaartjesprijs met 4 % wordt verlaagd, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Als de prijs van een product met 4 % stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid met 2 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Van een product worden 4 000 stuks per maand verkocht voor €5. De prijselasticiteit van de vraag is −0,6. Het bedrijf verandert de prijs met −10%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
Als de prijs van een kaartje verandert van €5,00 naar €3,50, verandert de weekafzet van 500 naar 560. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 80 − 4P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
De vraag naar een product is Q = 600 − 10P, met P in euro. Bij welke prijs P is de prijselasticiteit van de vraag gelijk aan −2?
Antwoordenblad
- 1. Q = 825,6 kaartjes
- 2. E = −0,5
- 3. ΔR = −920 €
- 4. E = −0,3208
- 5. P = 10 €
- 6. P = 40 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.