Als de prijs van een product met 8 % stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid met 4,8 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 5 000 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,5. Als de kaartjesprijs met 10 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Als de prijs van een kaartje verandert van €25,00 naar €21,00, verandert de weekafzet van 400 naar 500. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €14,00, verandert de weekafzet van 400 naar 290. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −1,2, dus Q = A·P^−1,2. Bij een prijs van €10 worden 2 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €5,00?
De (inverse) vraag naar een product is P = 200 − 0,01Q, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E als er 16 000 stuks worden verkocht.
Antwoordenblad
- 1. E = −0,6
- 2. Q = 4750 kaartjes
- 3. E = −1,278
- 4. E = −2,072
- 5. Q = 4595 stuks
- 6. E = −0,25
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.