Een bioscoop verkoopt 200 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −2. Als de kaartjesprijs met 5 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 400 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −2. Als de kaartjesprijs met 15 % wordt verlaagd, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Als de prijs van een kaartje verandert van €5,00 naar €2,50, verandert de weekafzet van 500 naar 900. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €6,00, verandert de weekafzet van 400 naar 480. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 2000 − 25P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
De vraag naar een product is Q = 240 − 4P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €24.
Antwoordenblad
- 1. Q = 180 kaartjes
- 2. Q = 520 kaartjes
- 3. E = −0,8571
- 4. E = −0,2727
- 5. P = 40 €
- 6. E = −0,6667
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.