Een bioscoop verkoopt 500 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,5. Als de kaartjesprijs met 4 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Als de prijs van een product met 25 % stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid met 20 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Als de prijs van een kaartje verandert van €5,00 naar €5,50, verandert de weekafzet van 800 naar 700. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €20,00 naar €30,00, verandert de weekafzet van 500 naar 200. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −1,2, dus Q = A·P^−1,2. Bij een prijs van €8 worden 8 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €4,80?
De vraag naar een product is Q = 100 − 5P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Antwoordenblad
- 1. Q = 490 kaartjes
- 2. E = −0,8
- 3. E = −1,4
- 4. E = −2,143
- 5. Q = 14768 stuks
- 6. P = 10 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.