Als de prijs van een product met 5 % stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid met 6 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 500 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,5. Als de kaartjesprijs met 15 % wordt verlaagd, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €6,00, verandert de weekafzet van 800 naar 1040. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €15,00 naar €11,00, verandert de weekafzet van 200 naar 290. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 200 − 10P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €4.
De vraag naar een product is Q = 1250 − 25P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Antwoordenblad
- 1. E = −1,2
- 2. Q = 537,5 kaartjes
- 3. E = −0,3913
- 4. E = −1,194
- 5. E = −0,25
- 6. P = 25 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.