Als de prijs van een product met 25 % daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid met 62,5 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 400 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −1,5. Als de kaartjesprijs met 10 % wordt verlaagd, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Als de prijs van een kaartje verandert van €4,00 naar €3,50, verandert de weekafzet van 200 naar 210. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €25,00 naar €19,00, verandert de weekafzet van 100 naar 110. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De (inverse) vraag naar een product is P = 200 − 0,5Q, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E als er 80 stuks worden verkocht.
De vraag naar een product is Q = 2000 − 50P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Antwoordenblad
- 1. E = −2,5
- 2. Q = 460 kaartjes
- 3. E = −0,3659
- 4. E = −0,3492
- 5. E = −4
- 6. P = 20 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.