Een bioscoop verkoopt 2 000 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −1,2. Als de kaartjesprijs met 5 % wordt verlaagd, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 1 000 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −1,2. Als de kaartjesprijs met 10 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Als de prijs van een kaartje verandert van €15,00 naar €19,00, verandert de weekafzet van 1000 naar 570. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €2,00 naar €1,00, verandert de weekafzet van 1000 naar 2000. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 240 − 4P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €24.
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −0,5, dus Q = A·P^−0,5. Bij een prijs van €5 worden 2 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €6,50?
Antwoordenblad
- 1. Q = 2120 kaartjes
- 2. Q = 880 kaartjes
- 3. E = −2,328
- 4. E = −1
- 5. E = −0,6667
- 6. Q = 1754 stuks
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.