Een bioscoop verkoopt 5 000 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,5. Als de kaartjesprijs met 5 % wordt verlaagd, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 500 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,5. Als de kaartjesprijs met 8 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Als de prijs van een kaartje verandert van €4,00 naar €3,50, verandert de weekafzet van 200 naar 220. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €8,00 naar €10,50, verandert de weekafzet van 1000 naar 880. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 1000 − 20P, met P in euro. Bij welke prijs P is de prijselasticiteit van de vraag gelijk aan −0,5?
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −3, dus Q = A·P^−3. Bij een prijs van €25 worden 8 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €12,50?
Antwoordenblad
- 1. Q = 5125 kaartjes
- 2. Q = 480 kaartjes
- 3. E = −0,7143
- 4. E = −0,4723
- 5. P = 16,67 €
- 6. Q = 64000 stuks
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.