Als de prijs van een product met 25 % stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid met 10 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 1 200 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,4. Als de kaartjesprijs met 8 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Van een product worden 2 500 stuks per maand verkocht voor €15. De prijselasticiteit van de vraag is −2,5. Het bedrijf verandert de prijs met +20%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €22,00, verandert de weekafzet van 400 naar 200. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 2000 − 20P, met P in euro. Bij welke prijs P is de prijselasticiteit van de vraag gelijk aan −0,5?
De vraag naar een product is Q = 600 − 10P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Antwoordenblad
- 1. E = −0,4
- 2. Q = 1162 kaartjes
- 3. ΔR = −15000 €
- 4. E = −1,133
- 5. P = 33,33 €
- 6. P = 30 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.