Een bioscoop verkoopt 2 000 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −2,5. Als de kaartjesprijs met 12 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Als de prijs van een product met 20 % daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid met 50 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Als de prijs van een kaartje verandert van €12,00 naar €6,00, verandert de weekafzet van 1000 naar 1200. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Van een product worden 2 500 stuks per maand verkocht voor €15. De prijselasticiteit van de vraag is −2,5. Het bedrijf verandert de prijs met +10%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product is Q = 160 − 4P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €28.
De vraag naar een product is Q = 500 − 5P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Antwoordenblad
- 1. Q = 1400 kaartjes
- 2. E = −2,5
- 3. E = −0,2727
- 4. ΔR = −6563 €
- 5. E = −2,333
- 6. P = 50 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.