Een bioscoop verkoopt 200 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −1,5. Als de kaartjesprijs met 10 % wordt verlaagd, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Als de prijs van een product met 25 % daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid met 30 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Als de prijs van een kaartje verandert van €25,00 naar €31,00, verandert de weekafzet van 800 naar 490. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €20,00 naar €10,00, verandert de weekafzet van 1200 naar 1680. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product is Q = 150 − 5P, met P in euro. Bij welke prijs P is de prijselasticiteit van de vraag gelijk aan −0,5?
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −2,5, dus Q = A·P^−2,5. Bij een prijs van €8 worden 8 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €10,40?
Antwoordenblad
- 1. Q = 230 kaartjes
- 2. E = −1,2
- 3. E = −2,243
- 4. E = −0,5
- 5. P = 10 €
- 6. Q = 4152 stuks
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.