Als de prijs van een product met 5 % stijgt, daalt de gevraagde hoeveelheid met 7,5 %. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E.
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
Een bioscoop verkoopt 1 200 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −2. Als de kaartjesprijs met 12 % stijgt, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Als de prijs van een kaartje verandert van €8,00 naar €6,50, verandert de weekafzet van 400 naar 520. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Als de prijs van een kaartje verandert van €40,00 naar €34,00, verandert de weekafzet van 800 naar 990. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −0,8, dus Q = A·P^−0,8. Bij een prijs van €10 worden 2 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €12,50?
De vraag naar een product is Q = 400 − 10P, met P in euro. Bij welke prijs P is de totale omzet het grootst?
Antwoordenblad
- 1. E = −1,5
- 2. Q = 912 kaartjes
- 3. E = −1,261
- 4. E = −1,309
- 5. Q = 1673 stuks
- 6. P = 20 €
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.