Een bioscoop verkoopt 1 200 kaartjes per week. De prijselasticiteit van de vraag is −0,4. Als de kaartjesprijs met 5 % wordt verlaagd, hoeveel kaartjes Q verkoopt de bioscoop dan per week?
Werkblad Prijselasticiteit van de vraag met antwoorden
De prijselasticiteit van de vraag naar een product is −0,8. De prijs wordt met 2 % verlaagd. Met welk percentage %ΔQ verandert de gevraagde hoeveelheid?
Als de prijs van een kaartje verandert van €25,00 naar €27,00, verandert de weekafzet van 1000 naar 940. Gebruik de middelpuntmethode (boogelasticiteit) om de prijselasticiteit van de vraag E te berekenen.
Van een product worden 5 000 stuks per maand verkocht voor €15. De prijselasticiteit van de vraag is −1,5. Het bedrijf verandert de prijs met +15%. Met hoeveel ΔR verandert de maandomzet, als je aanneemt dat %ΔQ = E·%ΔP?
De vraag naar een product is Q = 800 − 8P, met P in euro. Bereken de prijselasticiteit van de vraag E bij een prijs van €40.
De vraag naar een product heeft een constante prijselasticiteit van −1,2, dus Q = A·P^−1,2. Bij een prijs van €25 worden 5 000 stuks verkocht. Hoeveel stuks Q worden er verkocht bij een prijs van €31,25?
Antwoordenblad
- 1. Q = 1224 kaartjes
- 2. %ΔQ = 1,6 %
- 3. E = −0,8041
- 4. ΔR = −8156 €
- 5. E = −0,6667
- 6. Q = 3825 stuks
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.