Hoeveel deelverzamelingen met precies 2 elementen heeft A = {1, 2, 3, 4, 5}? Noem het aantal N.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
1.Makkelijk
A = {1, 2, 3, 4, 5}
N =
2.Makkelijk
Laat A = {a, y} en B = {1, 2, 3}. Bepaal |𝒫(A)|.
A = {a, y}B = {1, 2, 3}
|𝒫(A)| =
3.Gemiddeld
Uit een enquête onder 39 mensen blijkt dat 31 een laptop (L) hebben, 16 een tablet (T) en 12 beide. Hoeveel zitten in precies één van de twee verzamelingen?
|U| = 39|L| = 31|T| = 16|L ∩ T| = 12
|(L − T) ∪ (T − L)| =
4.Gemiddeld
Van 39 eerstejaarsstudenten slaagden er 17 voor Wiskunde (M), 16 voor Natuurkunde (P) en 7 voor beide. Hoeveel zitten in precies één van de twee verzamelingen?
|U| = 39|M| = 17|P| = 16|M ∩ P| = 7
|(M − P) ∪ (P − M)| =
5.Moeilijk
Hoeveel surjectieve (op) functies f: A → B zijn er als |A| = 5 en |B| = 4? Noem het aantal N.
|A| = 5|B| = 4
N =
6.Moeilijk
Hoeveel injectieve (één-op-één) functies f: A → B zijn er als |A| = 5 en |B| = 6? Noem het aantal N.
|A| = 5|B| = 6
N =
Antwoordenblad
- 1. N = 10
- 2. |𝒫(A)| = 4
- 3. |(L − T) ∪ (T − L)| = 23
- 4. |(M − P) ∪ (P − M)| = 19
- 5. N = 240
- 6. N = 720
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.