Laat A = {a, b, c, d, e} en B = {1, 2}. Bepaal |𝒫(A × B)|.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
1.Makkelijk
A = {a, b, c, d, e}B = {1, 2}
|𝒫(A × B)| =
2.Makkelijk
Het venndiagram toont elk element van de universele verzameling U en van de verzamelingen A en B. Bepaal |A ∪ B|, het aantal elementen van A ∪ B.
A = {7, 17, 19, 20}B = {7, 9, 17, 20}|U| = 6
|A ∪ B| =
3.Gemiddeld
In een groep van 35 studenten spreken er 14 Frans (F), 26 Duits (G) en 9 beide. Hoeveel zitten in minstens één van de twee verzamelingen?
|U| = 35|F| = 14|G| = 26|F ∩ G| = 9
|F ∪ G| =
4.Gemiddeld
Elk getal in het venndiagram is het aantal elementen in dat gebied. Bepaal |(B ∩ A′) ∪ (A′ ∩ C)|.
|U| = 51
|(B ∩ A′) ∪ (A′ ∩ C)| =
5.Moeilijk
Hoeveel reflexieve relaties zijn er op een verzameling met 4 elementen? Noem het aantal N.
|X| = 4
N =
6.Moeilijk
De bijectie f op {1, 2, 3, 4, 5} is gegeven door haar tabel. Bepaal f−1(3).
f: 1 ↦ 5, 2 ↦ 3, 3 ↦ 2, 4 ↦ 1, 5 ↦ 4
f−1(3) =
Antwoordenblad
- 1. |𝒫(A × B)| = 1024
- 2. |A ∪ B| = 5
- 3. |F ∪ G| = 31
- 4. |(B ∩ A′) ∪ (A′ ∩ C)| = 23
- 5. N = 4096
- 6. f−1(3) = 2
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.