Laat A = {a, b, d, e, x} en B = {1, 2, 3, 4}. Bepaal |𝒫(A)|.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
1.Makkelijk
A = {a, b, d, e, x}B = {1, 2, 3, 4}
|𝒫(A)| =
2.Makkelijk
Het venndiagram toont elk element van de universele verzameling U en van de verzamelingen A en B. Bepaal |(A − B′) − (A′ ∩ B′)|, het aantal elementen van (A − B′) − (A′ ∩ B′).
A = {2, 7, 10, 20}B = {7, 10, 11, 15, 20}|U| = 10
|(A − B′) − (A′ ∩ B′)| =
3.Gemiddeld
Precies één gebied van het venndiagram is de verzameling (C ∪ B) ∩ (A ∩ B′). Klik op zijn nummer.
(C ∪ B) ∩ (A ∩ B′)
- 1gebied 1
- 2gebied 2
- 3gebied 3
- 4gebied 4
- 5gebied 5
- 6gebied 6
- 7gebied 7
- 8gebied 8
4.Gemiddeld
In een groep van 30 studenten spreken er 16 Frans (F), 9 Duits (G) en 6 beide. Hoeveel zitten in F maar niet in G?
|U| = 30|F| = 16|G| = 9|F ∩ G| = 6
|F − G| =
5.Moeilijk
Hoeveel reflexieve relaties zijn er op een verzameling met 4 elementen? Noem het aantal N.
|X| = 4
N =
6.Moeilijk
Hoeveel reflexieve relaties zijn er op een verzameling met 3 elementen? Noem het aantal N.
|X| = 3
N =
Antwoordenblad
- 1. |𝒫(A)| = 32
- 2. |(A − B′) − (A′ ∩ B′)| = 3
- 3. gebied 5
- 4. |F − G| = 10
- 5. N = 4096
- 6. N = 64
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.