Hoeveel deelverzamelingen van A = {1, 2, 3, 4, 5} bevatten noch 5 noch 1? Noem het aantal N.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
1.Makkelijk
A = {1, 2, 3, 4, 5}
N =
2.Makkelijk
Het venndiagram toont elk element van de universele verzameling U en van de verzamelingen A en B. Bepaal |(B − A) ∩ (A ∪ B)|, het aantal elementen van (B − A) ∩ (A ∪ B).
A = {2, 3, 9, 18, 20}B = {8, 20}|U| = 9
|(B − A) ∩ (A ∪ B)| =
3.Gemiddeld
Van 49 eerstejaarsstudenten slaagden er 30 voor Wiskunde (M), 32 voor Natuurkunde (P) en 14 voor beide. Hoeveel zitten in precies één van de twee verzamelingen?
|U| = 49|M| = 30|P| = 32|M ∩ P| = 14
|(M − P) ∪ (P − M)| =
4.Gemiddeld
Elk getal in het venndiagram is het aantal elementen in dat gebied. Bepaal |(B′ ∩ A′)′|.
|U| = 58
|(B′ ∩ A′)′| =
5.Moeilijk
Op X = {1, 2, …, 5} geldt de relatie x ~ y als x ≡ y (mod 2). Hoeveel elementen zitten er in de equivalentieklasse [5]?
X = {1, …, 5}x ~ y ⟺ 2 | (x − y)
|[5]| =
6.Moeilijk
Het pijlendiagram toont een functie f: A → B met A = {1, 2, 3, 4} en B = {a, b, c, d}. Klik op de beschrijving die bij f past.
f = {(1, a), (2, d), (3, b), (4, c)}
- 1injectief, niet surjectief
- 2surjectief, niet injectief
- 3bijectief
- 4geen van beide
Antwoordenblad
- 1. N = 8
- 2. |(B − A) ∩ (A ∪ B)| = 1
- 3. |(M − P) ∪ (P − M)| = 34
- 4. |(B′ ∩ A′)′| = 39
- 5. |[5]| = 3
- 6. bijectief
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.