Laat A = {c, e, x} en B = {1, 2, 3}. Bepaal |𝒫(A)|.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
1.Makkelijk
A = {c, e, x}B = {1, 2, 3}
|𝒫(A)| =
2.Makkelijk
Hoeveel echte deelverzamelingen heeft A = {1, 2, 3, 4, 5, 6, 7} (deelverzamelingen anders dan A zelf)? Noem het aantal N.
A = {1, 2, 3, 4, 5, 6, 7}
N =
3.Gemiddeld
De relatie R op {1, 2, 3, 4} is getekend als gerichte graaf (een lus betekent (x, x) ∈ R). Precies één van de vier eigenschappen geldt. Klik erop.
R = {(1, 3), (1, 4), (2, 2), (3, 2)}
- 1reflexief
- 2symmetrisch
- 3antisymmetrisch
- 4transitief
4.Gemiddeld
Elk getal in het venndiagram is het aantal elementen in dat gebied. Bepaal |A′ − C|.
|U| = 57
|A′ − C| =
5.Moeilijk
Een equivalentierelatie R op {1, …, 8} heeft de klassen {2, 5, 6, 7}, {1, 3, 8}, {4}. Hoeveel geordende paren bevat R? Noem het aantal |R|.
{2, 5, 6, 7}{1, 3, 8}{4}
|R| =
6.Moeilijk
Hoeveel functies f: A → B zijn er als |A| = 2 en |B| = 4? Noem het aantal N.
|A| = 2|B| = 4
N =
Antwoordenblad
- 1. |𝒫(A)| = 8
- 2. N = 127
- 3. antisymmetrisch
- 4. |A′ − C| = 14
- 5. |R| = 26
- 6. N = 16
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.