Hoeveel deelverzamelingen van A = {1, 2, 3, 4} bevatten noch 4 noch 1? Noem het aantal N.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
Het venndiagram toont elk element van de universele verzameling U en van de verzamelingen A en B. Bepaal |A − B′|, het aantal elementen van A − B′.
Van 65 eerstejaarsstudenten slaagden er 37 voor Wiskunde (M), 28 voor Natuurkunde (P) en 35 voor Scheikunde (C). 11 slaagden voor M en P, 17 voor M en C, 16 voor P en C, en 5 voor alle drie. Hoeveel zitten in geen van de drie verzamelingen?
In een groep van 47 studenten spreken er 19 Frans (F), 27 Duits (G) en 27 Spaans (S). 12 spreken Frans en Duits, 5 Frans en Spaans, 13 Duits en Spaans, en 3 spreken alle drie. Hoeveel zitten in precies twee van de drie verzamelingen? Noem het aantal n.
Het pijlendiagram toont een functie f: A → B met A = {1, 2, 3, 4} en B = {a, b, c, d, e}. Klik op de beschrijving die bij f past.
- 1injectief, niet surjectief
- 2surjectief, niet injectief
- 3bijectief
- 4geen van beide
Op X = {1, 2, …, 15} geldt de relatie R als x ≡ y (mod 4). Hoeveel geordende paren bevat R? Noem het aantal |R|.
Antwoordenblad
- 1. N = 4
- 2. |A − B′| = 2
- 3. |(M ∪ P ∪ C)′| = 4
- 4. n = 21
- 5. injectief, niet surjectief
- 6. |R| = 57
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.