Laat A = {a, c, y} en B = {1, 2, 3}. Bepaal |𝒫(𝒫(A))|.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
Het venndiagram toont elk element van de universele verzameling U en van de verzamelingen A en B. Bepaal |(A ∪ B′) − (A − B)|, het aantal elementen van (A ∪ B′) − (A − B).
Uit een enquête onder 59 mensen blijkt dat 39 een laptop (L) hebben, 17 een tablet (T) en 12 beide. Hoeveel zitten in precies één van de twee verzamelingen?
Van 60 eerstejaarsstudenten slaagden er 23 voor Wiskunde (M), 27 voor Natuurkunde (P) en 25 voor Scheikunde (C). 11 slaagden voor M en P, 7 voor M en C, 13 voor P en C, en 5 voor alle drie. Hoeveel zitten in geen van de drie verzamelingen?
Hoeveel injectieve (één-op-één) functies f: A → B zijn er als |A| = 5 en |B| = 6? Noem het aantal N.
Het pijlendiagram toont een functie f: A → B met A = {1, 2} en B = {a, b, c, d}. Klik op de beschrijving die bij f past.
- 1injectief, niet surjectief
- 2surjectief, niet injectief
- 3bijectief
- 4geen van beide
Antwoordenblad
- 1. |𝒫(𝒫(A))| = 256
- 2. |(A ∪ B′) − (A − B)| = 6
- 3. |(L − T) ∪ (T − L)| = 32
- 4. |(M ∪ P ∪ C)′| = 11
- 5. N = 720
- 6. injectief, niet surjectief
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.