Het venndiagram toont elk element van de universele verzameling U en van de verzamelingen A en B. Bepaal |(A − B) ∩ (B′ ∩ A)|, het aantal elementen van (A − B) ∩ (B′ ∩ A).
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
Het venndiagram toont elk element van de universele verzameling U en van de verzamelingen A en B. Bepaal |B ∪ A|, het aantal elementen van B ∪ A.
Van 54 eerstejaarsstudenten slaagden er 28 voor Wiskunde (M), 29 voor Natuurkunde (P) en 8 voor beide. Hoeveel zitten in precies één van de twee verzamelingen?
Van 52 eerstejaarsstudenten slaagden er 27 voor Wiskunde (M), 24 voor Natuurkunde (P) en 22 voor Scheikunde (C). 14 slaagden voor M en P, 13 voor M en C, 4 voor P en C, en 1 voor alle drie. Hoeveel zitten in geen van de drie verzamelingen?
Op X = {1, 2, …, 12} geldt de relatie R als x ≡ y (mod 5). Hoeveel geordende paren bevat R? Noem het aantal |R|.
Hoeveel bijecties f: A → B zijn er als |A| = |B| = 3? Noem het aantal N.
Antwoordenblad
- 1. |(A − B) ∩ (B′ ∩ A)| = 2
- 2. |B ∪ A| = 8
- 3. |(M − P) ∪ (P − M)| = 41
- 4. |(M ∪ P ∪ C)′| = 9
- 5. |R| = 30
- 6. N = 6
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.