Hoeveel deelverzamelingen van A = {1, 2, 3, 4, 5, 6} bevatten noch 6 noch 1? Noem het aantal N.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
Het venndiagram toont elk element van de universele verzameling U en van de verzamelingen A en B. Bepaal |(A − B′) ∪ (A′ ∩ B′)|, het aantal elementen van (A − B′) ∪ (A′ ∩ B′).
Uit een enquête onder 60 mensen blijkt dat 30 een laptop (L) hebben, 40 een tablet (T) en 22 een smartwatch (W). 16 hebben L en T, 9 hebben L en W, 16 hebben T en W, en 5 hebben alle drie. Hoeveel zitten in geen van de drie verzamelingen?
R = {(1, 3), (2, 1), (3, 2)} is een relatie op {1, 2, 3}. Wat is het kleinste aantal k geordende paren dat aan R moet worden toegevoegd om haar reflexief te maken?
Een equivalentierelatie R op {1, …, 6} heeft de klassen {1, 2, 3, 6}, {4, 5}. Hoeveel geordende paren bevat R? Noem het aantal |R|.
Op X = {1, 2, …, 11} geldt de relatie x ~ y als x ≡ y (mod 3). Hoeveel elementen zitten er in de equivalentieklasse [9]?
Antwoordenblad
- 1. N = 16
- 2. |(A − B′) ∪ (A′ ∩ B′)| = 6
- 3. |(L ∪ T ∪ W)′| = 4
- 4. k = 3
- 5. |R| = 20
- 6. |[9]| = 3
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.