Het venndiagram toont elk element van de universele verzameling U en van de verzamelingen A en B. Bepaal |B ∪ A|, het aantal elementen van B ∪ A.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
1.Makkelijk
A = {1, 10, 13, 14, 17, 18, 19}B = {4, 6, 7, 11, 14, 17, 19}|U| = 12
|B ∪ A| =
2.Makkelijk
Laat A = {d, e} en B = {1, 2}. Bepaal |A × B|.
A = {d, e}B = {1, 2}
|A × B| =
3.Gemiddeld
Uit een enquête onder 28 mensen blijkt dat 21 een laptop (L) hebben, 10 een tablet (T) en 4 beide. Hoeveel zitten in minstens één van de twee verzamelingen?
|U| = 28|L| = 21|T| = 10|L ∩ T| = 4
|L ∪ T| =
4.Gemiddeld
Van 72 eerstejaarsstudenten slaagden er 34 voor Wiskunde (M), 33 voor Natuurkunde (P) en 31 voor Scheikunde (C). 12 slaagden voor M en P, 14 voor M en C, 14 voor P en C, en 3 voor alle drie. Hoeveel zitten in precies twee van de drie verzamelingen? Noem het aantal n.
|U| = 72
n =
5.Moeilijk
Hoeveel surjectieve (op) functies f: A → B zijn er als |A| = 5 en |B| = 4? Noem het aantal N.
|A| = 5|B| = 4
N =
6.Moeilijk
Hoeveel surjectieve (op) functies f: A → B zijn er als |A| = 4 en |B| = 2? Noem het aantal N.
|A| = 4|B| = 2
N =
Antwoordenblad
- 1. |B ∪ A| = 11
- 2. |A × B| = 4
- 3. |L ∪ T| = 27
- 4. n = 31
- 5. N = 240
- 6. N = 14
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.