Het venndiagram toont elk element van de universele verzameling U en van de verzamelingen A en B. Bepaal |A′ ∩ B|, het aantal elementen van A′ ∩ B.
Werkblad Verzamelingen, relaties & functies met antwoorden
1.Makkelijk
A = {2, 5, 6, 10, 18, 20}B = {1, 2, 5, 10, 12, 18, 19}|U| = 11
|A′ ∩ B| =
2.Makkelijk
Hoeveel deelverzamelingen met precies 2 elementen heeft A = {1, 2, 3, 4, 5}? Noem het aantal N.
A = {1, 2, 3, 4, 5}
N =
3.Gemiddeld
Van 52 eerstejaarsstudenten slaagden er 18 voor Wiskunde (M), 21 voor Natuurkunde (P) en 2 voor beide. Hoeveel zitten in M maar niet in P?
|U| = 52|M| = 18|P| = 21|M ∩ P| = 2
|M − P| =
4.Gemiddeld
R = {(2, 1), (2, 2), (4, 2)} is een relatie op {1, 2, 3, 4}. Wat is het kleinste aantal k geordende paren dat aan R moet worden toegevoegd om haar transitief te maken (de grootte van de transitieve afsluiting min |R|)?
R = {(2, 1), (2, 2), (4, 2)}
k =
5.Moeilijk
Hoeveel verschillende relaties zijn er op een verzameling met 4 elementen? Noem het aantal N.
|X| = 4
N =
6.Moeilijk
Op X = {1, 2, …, 13} geldt de relatie x ~ y als x ≡ y (mod 3). Hoeveel elementen zitten er in de equivalentieklasse [3]?
X = {1, …, 13}x ~ y ⟺ 3 | (x − y)
|[3]| =
Antwoordenblad
- 1. |A′ ∩ B| = 3
- 2. N = 10
- 3. |M − P| = 16
- 4. k = 1
- 5. N = 65536
- 6. |[3]| = 4
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.