Oefenen voor CFA Level I: kwantitatieve methoden en vastrentende waarden: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 20 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Tijdswaarde van geld

Eindwaarde
FV = PV·(1 + i)n
Contante waarde
PV = FV/(1 + i)n
Meerdere perioden per jaar
i = r/m, N = m·n
Annuïteit, contante waarde
PV = PMT·[1 − (1 + i)−n]/i
Annuïteit, eindwaarde
FV = PMT·[(1 + i)n − 1]/i

Methode

  1. Teken een tijdlijn met elke kasstroom en het moment waarop die valt.
  2. Laat de rente aansluiten bij de periode: een maandrente voor maandelijkse betalingen.
  3. Gebruik FV = PV·(1 + i)ⁿ voor losse bedragen en de annuïteitenformules voor gelijke betalingen.
  4. Controleer het teken en de orde van grootte van het antwoord.

NCW & IRR

Netto contante waarde
NPV = −C0 + Σ CFt/(1 + r)t
Gelijke kasstromen
NPV = −C0 + CF·[1 − (1 + r)−n]/r
Interne rentevoet
de r waarbij NPV = 0
Beslissing
accepteren als NPV > 0 (of IRR > vereist rendement)

Methode

  1. Zet alle kasstromen met hun jaar op een rij; de investering in jaar 0 is negatief.
  2. Disconteer elke kasstroom: CFt/(1 + r)t.
  3. Tel ze op om de NCW te krijgen. Positief betekent dat het project meer oplevert dan r.
  4. Zoek voor de IRR de rente waarbij de NCW nul wordt, door proberen of interpoleren.

Obligatiekoers en rendement

Obligatiekoers
P = C·(1 − (1 + y)−n)/y + F/(1 + y)n
Halfjaarlijks
C/2, y/2 en 2n perioden
Lopend rendement
C/P
Koers en rendement
rendement omhoog → koers omlaag

Methode

  1. Bepaal de coupon per periode en het rendement per periode.
  2. Prijs = contante waarde van de coupons (een annuïteit) + contante waarde van de nominale waarde.
  3. Gebruik bij halfjaarlijkse coupons de halve coupon, het halve rendement en twee keer zoveel perioden.
  4. Controle: als het rendement boven de couponrente ligt, ligt de prijs onder de nominale waarde.

CAPM en WACC

CAPM
re = rf + β·(rm − rf)
WACC
E/V·re + D/V·rd·(1 − T)
Ondernemingswaarde
V = E + D

Beschrijvende statistiek

Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ

Kansrekening

Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k

Normale verdeling

z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ

Methode

  1. Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
  2. Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
  3. Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
  4. Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.

Betrouwbaarheidsintervallen

σ bekend
x̄ ± z·σ/√n
σ onbekend
x̄ ± t·s/√n, df = n − 1
Kritieke z
90%: 1,645, 95%: 1,96, 99%: 2,576
Steekproefomvang
n = (z·σ/E)², rounded up

Methode

  1. Kies tussen z (σ van de populatie bekend) en t (alleen de steekproef-s, met n − 1 vrijheidsgraden).
  2. Zoek de kritieke waarde bij het betrouwbaarheidsniveau.
  3. Foutmarge: E = kritieke waarde × standaardafwijking/√n.
  4. Interval: x̄ ± E.

Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

z-toets voor een gemiddelde
z = (x̄ − μ0)/(σ/√n)
t-toets voor een gemiddelde
t = (x̄ − μ0)/(s/√n), df = n − 1
Tweezijdig bij 5%
verwerp H0 als |z| > 1,96
Betrouwbaarheidsinterval
x̄ ± z·σ/√n

Methode

  1. Formuleer H₀ en H₁ en bepaal of de toets een- of tweezijdig is.
  2. Bereken de toetsingsgrootheid: (x̄ − μ₀)/(σ/√n), of met s en t.
  3. Vergelijk met de kritieke waarde, of bepaal de p-waarde.
  4. Verwerp H₀ als de toetsingsgrootheid voorbij de kritieke waarde ligt (p kleiner dan α), en formuleer de conclusie in woorden.

Lineaire regressie en correlatie

Kwadratensommen
Sxx = Σ(x − x̄)² = Σx² − (Σx)²/n, Sxy = Σxy − ΣxΣy/n
Helling
b = Sxy/Sxx
Snijpunt met de y-as
a = ȳ − b·x̄
Correlatie
r = Sxy/√(SxxSyy)
Residu
e = y − ŷ

2Oefenopgaven

1.Tijdswaarde van geldGemiddeld
jaar0123…10PV = ?€50 000

Je hebt over 10 jaar €50 000 nodig. Een rekening geeft 3 % per jaar, per kwartaal samengesteld. Hoeveel moet je vandaag storten? Bereken de contante waarde PV.

FV = €50 0003% / 4n = 10
PV = €
2.Tijdswaarde van geldMoeilijk
maanden0123…108€100€100€100FV = ?

Je spaart 9 jaar lang aan het eind van elke maand €100. De rekening geeft 3 % per jaar, maandelijks samengesteld. Hoeveel heb je aan het eind gespaard? Bereken FV.

A = €1003% / 12N = 108
FV = €
3.NCW & IRRGemiddeld
jaar0123…9−100 0006 000+2%+2%…r = 9%, NPV = ?

Een project kost vandaag €100 000. Het levert aan het eind van het eerste jaar €6 000 op, en de kasstroom groeit daarna voor altijd met 2 % per jaar. De vermogenskosten zijn 9 %. Bereken de netto contante waarde NPV.

C0 = €100 000CF1 = €6 000g = 2%r = 9%
NPV = €
4.NCW & IRRMoeilijk
jaar0123−40 00018 50028 00016 500

Een project kost €40 000 en levert aan het eind van jaar 1 tot en met 3 €18 500, €28 000, €16 500 op. Bereken de interne rentabiliteit IRR in procenten.

CF0 = −40 000CF1 = 18 500CF2 = 28 000CF3 = 16 500
IRR = %
5.Obligatiekoers en rendementGemiddeld
jaar0123456P€70€70€70 + €1 000

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 betaalt een jaarlijkse coupon van 7% en loopt over 6 jaar af. Het effectieve rendement verandert van 8% naar 6,5%. Hoeveel ΔP verandert de koers van de obligatie?

F = €1 000coupon = 7%n = 6y1 = 8%y2 = 6,5%
ΔP = €
6.Obligatiekoers en rendementMoeilijk
halve jaren0123…24€831€20€20€20 + €1 000

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 betaalt een jaarlijkse coupon van 4% in twee halfjaarlijkse termijnen en loopt over 12 jaar af. Ze wordt verkocht voor €831. Bereken het effectieve rendement YTM als jaarrente (twee keer het halfjaarlijkse rendement), in procenten.

F = €1 000coupon = 4% (2×)n = 12P = €831
YTM = %
7.CAPM en WACCGemiddeld
WACC = 12,09%eigen vermogen€10 000 000re​ = ?schuld€1 000 000rd​ = 4%T = 25,8%

Een onderneming heeft eigen vermogen ter waarde van €10 000 000 en vreemd vermogen ter waarde van €1 000 000. De WACC is 12,09%, de kosten van het vreemd vermogen vóór belasting 4% en het belastingtarief is 25,8%. Bereken de kosten van het eigen vermogen re.

E = €10 000 000D = €1 000 000WACC = 12,09%rd = 4%T = 25,8%
re = %
8.CAPM en WACCMoeilijk
WACC = ?eigen vermogen4 000 000 × €16,00β = 0,8rf​ = 3,5%, rm​ = 9,5%schuld10 000 × €960rd​ = 3%T = 30%

Een onderneming heeft 4 000 000 aandelen van €16,00 per stuk en 10 000 obligaties met een koers van €960 per stuk. De kosten van het vreemd vermogen vóór belasting zijn 3% en het belastingtarief is 30%. De bèta van het aandeel is 0,8, de risicovrije rente 3,5% en het marktrendement 9,5%. Bereken de WACC.

β = 0,8rf = 3,5%rm = 9,5%rd = 3%T = 30%
WACC = %
9.Beschrijvende statistiekGemiddeld
2530354045

Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 48, 27, 26, 23, 28, 24.

n = 6
s =
10.Beschrijvende statistiekMoeilijk
z −2−1012

Tentamencijfers zijn normaal verdeeld met gemiddelde 70 en standaardafwijking 20. Bereken de z-score z van een score van 40.

μ = 70σ = 20x = 40
z =
11.KansrekeningGemiddeld
rood: 7blauw: 8

Een zak bevat 7 rode en 8 blauwe knikkers. Je pakt er twee zonder de eerste terug te leggen. Wat is de kans P dat ze allebei rood zijn?

7 / 8
P =
12.KansrekeningMoeilijk
n = 11, p = 0,2: P(X = 5) = ?k01234567891011

Een toets heeft 11 meerkeuzevragen. Een student die gokt, heeft elke vraag onafhankelijk goed met kans 0,2. Wat is de kans P op precies 5 goede antwoorden?

n = 11p = 0,2k = 5
P =
13.Normale verdelingGemiddeld
438542P = ?

De levensduren van batterijen zijn normaal verdeeld met gemiddelde 500 h en standaardafwijking 40 h. Welk deel ligt tussen 438 en 542 h? Geef P als decimaal getal.

μ = 500σ = 40x1 = 438x2 = 542
P =
14.Normale verdelingMoeilijk
380420460500540580620hboven 60%

De levensduren van batterijen zijn normaal verdeeld met gemiddelde 500 h en standaardafwijking 40 h. Sleep de grenswaarde zo dat de gearceerde bovenste 60% rechts ervan ligt. Bepaal de grenswaarde x.

μ = 500 hσ = 40 h60%
x = h
15.BetrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
x̄E₁ = 6,699%, n = 64x̄E₂ = ?90%, n = 64

Een 99%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde, gebaseerd op 64 waarnemingen en een bekende σ, heeft een foutmarge van 6,6. Wat is de foutmarge E₂ van een 90%-interval uit dezelfde data?

99%n₁ = 64E₁ = 6,690%
E₂ =
16.BetrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
σ = 38, n = ?x̄ − Ex̄ + Ex̄E = 1,595%

De standaardafwijking van de populatie is 38. Hoe groot moet de steekproef n zijn zodat een 95%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde een foutmarge van hoogstens 1,5 heeft?

σ = 38E = 1,595%
n =
17.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
t −1,9901,99

Een steekproef van 81 studenten heeft een gemiddelde score van 204 en een steekproefstandaardafwijking van 15. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 200.

μ₀ = 200x̄ = 204s = 15n = 81
t =
18.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
−1,961,96z = ?

In een onderzoek herstellen 25 van de 100 patiënten met behandeling A en 59 van de 150 patiënten met behandeling B. Bereken met de gepoolde fractie de toetsingsgrootheid z voor H₀: p₁ = p₂.

x₁ = 25n₁ = 100x₂ = 59n₂ = 150
z =
19.Lineaire regressie en correlatieGemiddeld
xy128223320420517xy242025

De tabel geeft 5 gepaarde waarnemingen van x = leeftijd van de auto in jaren en y = prijs in k€. Bereken de determinatiecoëfficiënt r² van de kleinstekwadratenlijn.

n = 5
r² =
20.Lineaire regressie en correlatieMoeilijk
xy2404486538601069xy51040506070ŷ = 65

De tabel geeft 5 gepaarde waarnemingen van x = advertentie-uitgaven in k€ en y = verkoop in k€. Gebruik de kleinstekwadratenlijn ŷ = a + b·x. Voor welke waarde x voorspelt de lijn ŷ = 65?

n = 5ŷ = 65
x =

3Oplossingen

1.Tijdswaarde van geld

Antwoord: PV = 37082 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Rente en aantal perioden

i = 0,03/4 = 0,0075
N = 4·10 = 40

Contante waarde

PV = FV/(1 + i)N = 50 000/1,348 = €37 082,40

Antwoord

PV = €37 082,40
2.Tijdswaarde van geld

Antwoord: FV = 12381 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Maandrente en aantal stortingen

i = 0,03/12 = 0,0025
N = 12·9 = 108

Eindwaarde van de stortingen

FV = A·((1 + i)N − 1)/i = 100·(1,31 − 1)/0,0025 = €12 380,93

Antwoord

FV = €12 380,93

Je hebt zelf €10 800 ingelegd; de rest is rente.

3.NCW & IRR

Antwoord: NPV = −14286 €

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

Waarde van de kasstromen

PV = 6 000/(0,09 − 0,02) = 85 714,29

NPV

NPV = 85 714,29 − 100 000 = −€14 285,71

Antwoord

NPV = −€14 285,71

De NCW is negatief, dus het project verdient minder dan het vereiste rendement.

4.NCW & IRR

Antwoord: IRR = 26,97 %

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

De IRR insluiten

De NCW daalt als de rente stijgt, dus de IRR ligt tussen een rente met positieve en een met negatieve NCW.

NPV(25%) = 1 168,00
NPV(30%) = −1 690,94

Verfijnen

Lineair interpoleren geeft een eerste schatting; dat herhalen (of de IRR-functie van een rekenmachine) geeft de exacte rente.

IRR ≈ 25 + 5·1 168,00/(1 168,00 − (−1 690,94)) = 27,04%
exact: NPV(26,97%) = 0 → IRR = 26,97%

Antwoord

IRR = 26,97%
5.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: ΔP = 70,43 €

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Koers bij het oude rendement

C = €70,00, i = 0,08, N = 6
€70,00·(1 − 0,6302)/0,08 + €1 000·0,6302 = €323,60 + €630,17 = €953,77

Koers bij het nieuwe rendement

C = €70,00, i = 0,065, N = 6
€70,00·(1 − 0,6853)/0,065 + €1 000·0,6853 = €338,87 + €685,33 = €1 024,21

Verandering

ΔP = 1 024,21 − 953,77 = €70,43

Antwoord

ΔP = €70,43
6.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: YTM = 5,995 %

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Per periode

C = €20,00, N = 24

Los numeriek op

i = 2,998% per halfjaar

YTM

YTM = 2·2,998% = 5,995%

Antwoord

YTM = 5,995%
7.CAPM en WACC

Antwoord: re = 13 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Gewichten

V = €11 000 000, E/V = 0,9091, D/V = 0,09091

Deel van het vreemd vermogen in de WACC

0,09091·4%·(1 − 0,258) = 0,2698%

Kosten van het eigen vermogen

re = (12,09% − 0,2698%)/0,9091 = 13%

Antwoord

re = 13%
8.CAPM en WACC

Antwoord: WACC = 7,491 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Marktwaarden

E = 4 000 000·€16,00 = €64 000 000
D = 10 000·€960 = €9 600 000

Kosten eigen vermogen (CAPM)

re = 3,5% + 0,8·6% = 8,3%

Gewichten

V = €73 600 000, E/V = 0,8696, D/V = 0,1304

WACC

WACC = 0,8696·8,3% + 0,1304·3%·(1 − 0,3) = 7,491%

Antwoord

WACC = 7,491%
9.Beschrijvende statistiek

Antwoord: s = 9,331

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Gemiddelde

x̄ = 176/6 = 29,33

Gekwadrateerde afwijkingen

Σ(x − x̄)² = 18,67² + (−2,333)² + (−3,333)² + (−6,333)² + (−1,333)² + (−5,333)² = 435,3

Standaardafwijking

s = √(435,3/5) = 9,331

Antwoord

s = 9,331
10.Beschrijvende statistiek

Antwoord: z = −1,5

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Standaardiseren

z = (40 − 70)/20 = −1,5

Antwoord

z = −1,5
11.Kansrekening

Antwoord: P = 0,2

Kansrekening: bij even waarschijnlijke uitkomsten is P(A) = gunstig/totaal. Bij onafhankelijke gebeurtenissen vermenigvuldig je: P(A en B) = P(A)·P(B). De complementregel helpt vaak: P(minstens één) = 1 − P(geen). Binomiaal: bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p geldt P(X = k) = C(n, k)·pᵏ·(1 − p)ⁿ⁻ᵏ.

Eerste en tweede trekking

P = 7/15 · 6/14 = 42/210 = 0,2

Antwoord

P = 0,2
12.Kansrekening

Antwoord: P = 0,03876

Kansrekening: bij even waarschijnlijke uitkomsten is P(A) = gunstig/totaal. Bij onafhankelijke gebeurtenissen vermenigvuldig je: P(A en B) = P(A)·P(B). De complementregel helpt vaak: P(minstens één) = 1 − P(geen). Binomiaal: bij n onafhankelijke pogingen met succeskans p geldt P(X = k) = C(n, k)·pᵏ·(1 − p)ⁿ⁻ᵏ.

Binomiale formule

P(X = 5) = 462·0,25·0,86 = 462·0,00032·0,2621 = 0,03876

Antwoord

P = 0,03876
13.Normale verdeling

Antwoord: P = 0,7926

Normale verdeling: reken een waarde x om naar een z-score, z = (x − μ)/σ, die telt hoeveel standaardafwijkingen x van het gemiddelde ligt. Een z-tabel (of Φ(z)) geeft de oppervlakte links van z, en dat is P(X < x). De oppervlakte rechts is 1 − Φ(z), en de oppervlakte tussen twee waarden is het verschil van hun twee oppervlakten.

z-scores

z₁ = (438 − 500)/40 = −1,55
z₂ = (542 − 500)/40 = 1,05

Oppervlakte ertussen

P = Φ(1,05) − Φ(−1,55) = 0,8531 − 0,06057 = 0,7926

Antwoord

P = 0,7926
14.Normale verdeling

Antwoord: x = 490 h

Van een oppervlak terug naar z: Φ(z) is het oppervlak links van z. Zoek voor een linkerstaartoppervlak A de z met Φ(z) = A in de tabel. Een rechterstaartoppervlak A betekent Φ(z) = 1 − A. Een centraal oppervlak A tussen −z en z laat (1 − A)/2 in elke staart over, dus Φ(z) = (1 + A)/2. Gebruik voor een waarde x de formule x = μ + zσ.

Oppervlak links

Φ(z) = 0,4

z uit de tabel

z ≈ −0,25

Terug naar de oorspronkelijke eenheden

x = 500 − 0,25·40 = 490 h

Antwoord

x = 490 h
15.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: E₂ = 4,215

Confidence interval for a mean: x̄ ± margin of error. With a known population σ the margin is z·σ/√n; with only the sample standard deviation s, use t with n − 1 degrees of freedom: t·s/√n. Critical values: z = 1,645 (90%), 1,96 (95%), 2,576 (99%). To get a margin E or smaller, you need n ≥ (z·σ/E)², rounded up.

Verhouding van de marges

E₂/E₁ = (1,645/2,576)·√(64/64) = 0,6386

Nieuwe marge

E₂ = 6,6·0,6386 = 4,215

Antwoord

E₂ = 4,215
16.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: n = 2466

Betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde: x̄ ± foutmarge. Met een bekende populatie-σ is de marge z·σ/√n; heb je alleen de steekproefstandaardafwijking s, gebruik dan t met n − 1 vrijheidsgraden: t·s/√n. Kritieke waarden: z = 1,645 (90%), 1,96 (95%), 2,576 (99%). Voor een marge van E of kleiner heb je n ≥ (z·σ/E)² nodig, naar boven afgerond.

n oplossen

n = (1,96·38/1,5)² = 2465

Naar boven afronden

Een steekproefomvang is een geheel getal, en naar beneden afronden zou de marge te groot maken.

n = 2466

Antwoord

n = 2466
17.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: t = 2,4

Toetsen van een gemiddelde: de toetsingsgrootheid meet hoeveel standaardfouten het steekproefgemiddelde van de waarde in H₀ af ligt: z = (x̄ − μ₀)/(σ/√n) als σ bekend is, t = (x̄ − μ₀)/(s/√n) als die uit de steekproef wordt geschat. Een betrouwbaarheidsinterval is x̄ ± (kritieke waarde)·(standaardfout).

Standaardfout

SE = 15/√81 = 15/9 = 1,667

Toetsingsgrootheid

t = (204 − 200)/1,667 = 2,4

Antwoord

t = 2,4
t0,025; df = 80 = 1,99

|t| > 1,99, dus H₀ wordt verworpen op het 5%-niveau (tweezijdig).

18.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: z = −2,351

Hypothesis test: the test statistic = (estimate − value under H₀)/(standard error under H₀). The p-value is the probability, assuming H₀ is true, of a statistic at least as extreme as the one observed: the area in one tail for a one-sided H₁, twice the tail area for a two-sided H₁. Reject H₀ when p ≤ α.

Steekproeffracties

p̂₁ = 25/100 = 0,25
p̂₂ = 59/150 = 0,3933
p̂ = 84/250 = 0,336

Standaardfout onder H₀

SE = √(0,336·0,664·(1/100 + 1/150)) = 0,06098

Toetsingsgrootheid

z = (0,25 − 0,3933)/0,06098 = −2,351

Antwoord

z = −2,351

|z| > 1,96, dus H₀ wordt verworpen op het 5%-niveau (tweezijdig).

19.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: r² = 0,9032

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gemiddelden

x̄ = 15/5 = 3
ȳ = 108/5 = 21,6

Kwadraten- en productsommen

Sxx = Σ(x − x̄)² = 10
Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) = −25
Syy = Σ(y − ȳ)² = 69,2

Determinatiecoëfficiënt

r² = −25²/(10·69,2) = 0,9032

Antwoord

r² = 0,9032

Ongeveer 90,32% van de variatie in y wordt door de lijn verklaard.

20.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: x = 9,143

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gemiddelden

x̄ = 30/5 = 6
ȳ = 270/5 = 54

Kwadraten- en productsommen

Sxx = Σ(x − x̄)² = 40
Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) = 140

Regressielijn

b = 140/40 = 3,5
a = 54 − 3,5·6 = 33
ŷ = 33 + 3,5·x

Los op naar x

x = (65 − 33)/3,5 = 9,143

Antwoord

x = 9,143

Dit is onafhankelijk oefenmateriaal. ExamProblems is niet verbonden aan of goedgekeurd door de organisatie die dit examen afneemt, en de naam van het examen wordt alleen gebruikt om de inhoud te beschrijven. CFA® and Chartered Financial Analyst® zijn merken van CFA Institute, dat niet verbonden is aan ExamProblems, het niet onderschrijft en niet instaat voor de juistheid ervan.

ExamProblems · examproblems.com/courses/cfa-level-1-quant-and-fixed-income