Oefenen voor CFA Level I: kwantitatieve methoden en vastrentende waarden: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 20 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Tijdswaarde van geld

Eindwaarde
FV = PV·(1 + i)n
Contante waarde
PV = FV/(1 + i)n
Meerdere perioden per jaar
i = r/m, N = m·n
Annuïteit, contante waarde
PV = PMT·[1 − (1 + i)−n]/i
Annuïteit, eindwaarde
FV = PMT·[(1 + i)n − 1]/i

Methode

  1. Teken een tijdlijn met elke kasstroom en het moment waarop die valt.
  2. Laat de rente aansluiten bij de periode: een maandrente voor maandelijkse betalingen.
  3. Gebruik FV = PV·(1 + i)ⁿ voor losse bedragen en de annuïteitenformules voor gelijke betalingen.
  4. Controleer het teken en de orde van grootte van het antwoord.

NCW & IRR

Netto contante waarde
NPV = −C0 + Σ CFt/(1 + r)t
Gelijke kasstromen
NPV = −C0 + CF·[1 − (1 + r)−n]/r
Interne rentevoet
de r waarbij NPV = 0
Beslissing
accepteren als NPV > 0 (of IRR > vereist rendement)

Methode

  1. Zet alle kasstromen met hun jaar op een rij; de investering in jaar 0 is negatief.
  2. Disconteer elke kasstroom: CFt/(1 + r)t.
  3. Tel ze op om de NCW te krijgen. Positief betekent dat het project meer oplevert dan r.
  4. Zoek voor de IRR de rente waarbij de NCW nul wordt, door proberen of interpoleren.

Obligatiekoers en rendement

Obligatiekoers
P = C·(1 − (1 + y)−n)/y + F/(1 + y)n
Halfjaarlijks
C/2, y/2 en 2n perioden
Lopend rendement
C/P
Koers en rendement
rendement omhoog → koers omlaag

Methode

  1. Bepaal de coupon per periode en het rendement per periode.
  2. Prijs = contante waarde van de coupons (een annuïteit) + contante waarde van de nominale waarde.
  3. Gebruik bij halfjaarlijkse coupons de halve coupon, het halve rendement en twee keer zoveel perioden.
  4. Controle: als het rendement boven de couponrente ligt, ligt de prijs onder de nominale waarde.

CAPM en WACC

CAPM
re = rf + β·(rm − rf)
WACC
E/V·re + D/V·rd·(1 − T)
Ondernemingswaarde
V = E + D

Beschrijvende statistiek

Gemiddelde
x̄ = Σx/n
Steekproefstandaardafwijking
s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1))
Mediaan
middelste waarde van de gesorteerde gegevens
z-score
z = (x − μ)/σ
Normale verdeling
68% binnen ±1σ, 95% binnen ±2σ

Kansrekening

Complement
P(not A) = 1 − P(A)
Somregel
P(A ∪ B) = P(A) + P(B) − P(A ∩ B)
Onafhankelijke gebeurtenissen
P(A ∩ B) = P(A)·P(B)
Voorwaardelijke kans
P(A|B) = P(A ∩ B)/P(B)
Binomiaal
P(X = k) = C(n,k)·pk(1 − p)n−k

Normale verdeling

z-score
z = (x − μ)/σ
Onder x
P(X < x) = Φ(z)
Boven x
P(X > x) = 1 − Φ(z)
Tussen
Φ(z2) − Φ(z1)
Percentiel
x = μ + z·σ

Methode

  1. Reken de waarde om naar een z-score: z = (x − μ)/σ.
  2. Zoek Φ(z) op, het oppervlak links van z.
  3. Gebruik voor het oppervlak rechts 1 − Φ(z); trek voor een interval de twee linkeroppervlakken van elkaar af.
  4. Werk voor een percentiel terug: zoek z bij het oppervlak, dan x = μ + z·σ.

Betrouwbaarheidsintervallen

σ bekend
x̄ ± z·σ/√n
σ onbekend
x̄ ± t·s/√n, df = n − 1
Kritieke z
90%: 1,645, 95%: 1,96, 99%: 2,576
Steekproefomvang
n = (z·σ/E)², rounded up

Methode

  1. Kies tussen z (σ van de populatie bekend) en t (alleen de steekproef-s, met n − 1 vrijheidsgraden).
  2. Zoek de kritieke waarde bij het betrouwbaarheidsniveau.
  3. Foutmarge: E = kritieke waarde × standaardafwijking/√n.
  4. Interval: x̄ ± E.

Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

z-toets voor een gemiddelde
z = (x̄ − μ0)/(σ/√n)
t-toets voor een gemiddelde
t = (x̄ − μ0)/(s/√n), df = n − 1
Tweezijdig bij 5%
verwerp H0 als |z| > 1,96
Betrouwbaarheidsinterval
x̄ ± z·σ/√n

Methode

  1. Formuleer H₀ en H₁ en bepaal of de toets een- of tweezijdig is.
  2. Bereken de toetsingsgrootheid: (x̄ − μ₀)/(σ/√n), of met s en t.
  3. Vergelijk met de kritieke waarde, of bepaal de p-waarde.
  4. Verwerp H₀ als de toetsingsgrootheid voorbij de kritieke waarde ligt (p kleiner dan α), en formuleer de conclusie in woorden.

Lineaire regressie en correlatie

Kwadratensommen
Sxx = Σ(x − x̄)² = Σx² − (Σx)²/n, Sxy = Σxy − ΣxΣy/n
Helling
b = Sxy/Sxx
Snijpunt met de y-as
a = ȳ − b·x̄
Correlatie
r = Sxy/√(SxxSyy)
Residu
e = y − ŷ

2Oefenopgaven

1.Tijdswaarde van geldGemiddeld
jaar0123…8€2 000FV = ?

Je belegt €2 000 tegen een nominale rente van 6 % per jaar, maandelijks samengesteld. Bereken de waarde FV van de belegging na 8 jaar.

PV = €2 0006% / 12n = 8
FV = €
2.Tijdswaarde van geldMoeilijk
maanden0123…36€8 000A?AAA

Een lening van €8 000 wordt in 3 jaar afgelost met gelijke maandtermijnen. De rente is 3,6 % per jaar, maandelijks samengesteld. Bereken de maandtermijn A.

P = €8 0003,6% / 12N = 36
A = €
3.NCW & IRRGemiddeld
jaar0123−60 00026 00013 00028 000

Een investering van €60 000 levert aan het eind van jaar 1 tot en met 3 deze kasstromen op: €26 000, €13 000, €28 000. De vermogenskosten zijn 9 %. Bereken de netto contante waarde NPV.

r = 9%CF0 = −60 000CF1 = 26 000CF2 = 13 000CF3 = 28 000
NPV = €
4.NCW & IRRMoeilijk
jaar012−10 0007 5004 000

Een project kost €10 000 en levert aan het eind van jaar 1 tot en met 2 €7 500, €4 000 op. Bereken de interne rentabiliteit IRR in procenten.

CF0 = −10 000CF1 = 7 500CF2 = 4 000
IRR = %
5.Obligatiekoers en rendementGemiddeld
jaar012345P€45€45€45 + €1 000

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 betaalt een jaarlijkse coupon van 4,5% en loopt over 5 jaar af. Het effectieve rendement verandert van 3,5% naar 2%. Hoeveel ΔP verandert de koers van de obligatie?

F = €1 000coupon = 4,5%n = 5y1 = 3,5%y2 = 2%
ΔP = €
6.Obligatiekoers en rendementMoeilijk
jaar0123…8€1 060€80€80 + €1 000

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 en een jaarlijkse coupon van 8% loopt over 8 jaar af en wordt verkocht voor €1 060. Bereken het effectieve rendement YTM in procenten.

F = €1 000coupon = 8%n = 8P = €1 060
YTM = %
7.CAPM en WACCGemiddeld
WACC = ?gewone aandelen€10 000 000re​ = 12%preferente aandelen€2 000 000rp​ = 8%schuld€2 000 000rd​ = 3%T = 25%

Een onderneming is gefinancierd met gewone aandelen ter waarde van €10 000 000, preferente aandelen ter waarde van €2 000 000 en vreemd vermogen ter waarde van €2 000 000. De kosten van het eigen vermogen zijn 12%, de kosten van de preferente aandelen 8% en de kosten van het vreemd vermogen vóór belasting 3%. Het belastingtarief is 25%. Bereken de WACC.

E = €10 000 000Ps = €2 000 000D = €2 000 000re = 12%rp = 8%rd = 3%T = 25%
WACC = %
8.CAPM en WACCMoeilijk
WACC = ?eigen vermogen€12 000 000re​ = 11%obligaties5 000 × €1 062coupon 4%, n = 7T = 21%

Een onderneming heeft eigen vermogen met een marktwaarde van €12 000 000 en kosten van het eigen vermogen van 11%. Het vreemd vermogen bestaat uit 5 000 obligaties (nominale waarde €1 000, jaarlijkse coupon 4%, resterende looptijd 7 jaar) die elk op €1 062 noteren. Het belastingtarief is 21%. Bereken de WACC, met het effectieve rendement van de obligaties als kosten van het vreemd vermogen vóór belasting.

E = €12 000 000re = 11%obligaties: 5 000 × €1 062coupon = 4%n = 7T = 21%
WACC = %
9.Beschrijvende statistiekGemiddeld
3540455055

Bereken de steekproefstandaardafwijking s van de gegevens: 32, 39, 45, 57, 56, 55.

n = 6
s =
10.Beschrijvende statistiekMoeilijk
z −2−1012

Tentamencijfers zijn normaal verdeeld met gemiddelde 500 en standaardafwijking 60. Bereken de z-score z van een score van 620.

μ = 500σ = 60x = 620
z =
11.KansrekeningGemiddeld
xp(x)00,2510,320,130,1540,2μ = 1,75

Bepaal voor de getoonde verdeling de standaardafwijking σ van X.

x: 0, 1, 2, 3, 4p(x): 0,25, 0,3, 0,1, 0,15, 0,2
σ =
12.KansrekeningMoeilijk
xp(x)00,1510,2520,230,0540,35μ

X heeft de getoonde verdeling, en Y = 10X − 3. Bepaal de standaardafwijking σY van Y.

x: 0, 1, 2, 3, 4p(x): 0,15, 0,25, 0,2, 0,05, 0,35Y = 10X − 3
σY =
13.Normale verdelingGemiddeld
62,575,5P = ?

De examencijfers zijn normaal verdeeld met gemiddelde 65 punten en standaardafwijking 10 punten. Welk deel ligt tussen 62,5 en 75,5 punten? Geef P als decimaal getal.

μ = 65σ = 10x1 = 62,5x2 = 75,5
P =
14.Normale verdelingMoeilijk
10 g0X − Y?

De massa X van een product van lijn 1 en Y van lijn 2 zijn onafhankelijk en normaal verdeeld: X heeft gemiddelde 500 g en standaardafwijking 8 g, Y heeft gemiddelde 490 g en standaardafwijking 6 g. Bepaal de kans P dat X groter is dan Y. Rond z af op twee decimalen.

μX = 500 g, σX = 8 gμY = 490 g, σY = 6 g
P =
15.BetrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
n = 7, s = 7,5L = ?Ux̄ = 85,5E90%

Een steekproef van 7 items heeft gemiddelde 85,5 en standaardafwijking s = 7,5. De populatie is bij benadering normaal verdeeld. Bereken de ondergrens van het 90%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.

n = 7x̄ = 85,5s = 7,590%t(6) = 1,943
ondergrens =
16.BetrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
σ = 35, n = ?x̄ − Ex̄ + Ex̄E = 399%

De standaardafwijking van de populatie is 35. Hoe groot moet de steekproef n zijn zodat een 99%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde een foutmarge van hoogstens 3 heeft?

σ = 35E = 399%
n =
17.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenGemiddeld
−2,52,5p = ?

Van een populatie wordt beweerd dat het gemiddelde 100 is; de standaardafwijking van de populatie is bekend en is 18. Een aselecte steekproef van 36 waarnemingen heeft een gemiddelde van 92,5. Toets H₀: μ = 100 tegen H₁: μ ≠ 100. Bereken de p-waarde p.

μ₀ = 100σ = 18n = 36x̄ = 92,5H₁: μ ≠ μ₀
p =
18.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallenMoeilijk
z −1,64501,645

Een steekproef van 64 metingen heeft gemiddelde 51,5. De standaardafwijking van de populatie is 8. Bereken de bovengrens U van het 90%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.

x̄ = 51,5σ = 8n = 6490%
U =
19.Lineaire regressie en correlatieGemiddeld
xy124220320413511xy2410152025

De tabel geeft 5 gepaarde waarnemingen van x = leeftijd van de auto in jaren en y = prijs in k€. Hun sommen zijn gegeven. Bereken uit deze sommen de correlatiecoëfficiënt van Pearson r.

n = 5Σx = 15Σy = 88Σx² = 55Σy² = 1666Σxy = 231
r =
20.Lineaire regressie en correlatieMoeilijk
xy36458078291021111213126xy5106080100120x = 10

De tabel geeft 6 gepaarde waarnemingen van x = aantal uren gestudeerd en y = tentamencijfer. Gebruik de kleinstekwadratenlijn ŷ = a + b·x. Voorspel ŷ voor x = 10.

n = 6x = 10
ŷ =

3Oplossingen

1.Tijdswaarde van geld

Antwoord: FV = 3228 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Rente en aantal perioden

i = r/m = 0,06/12 = 0,005
N = m·n = 12·8 = 96

Eindwaarde

FV = 2 000·(1 + 0,005)96 = 2 000·1,614 = €3 228,29

Antwoord

FV = €3 228,29
2.Tijdswaarde van geld

Antwoord: A = 234,8 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Maandrente en aantal termijnen

i = 0,036000000000000004/12 = 0,003
N = 12·3 = 36

Termijn

De contante waarde van N gelijke betalingen A is A·(1 − (1 + i)⁻ᴺ)/i. Stel die gelijk aan de lening en los A op.

(1 + i)−N = 0,8978
A = 8 000·0,003/(1 − 0,8978) = €234,77

Antwoord

A = €234,77
3.NCW & IRR

Antwoord: NPV = −3584 €

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

Contante waarde van elke kasstroom

CF0 = −60 000
CF1/(1 + 0,09)1 = 26 000/1,09 = 23 853,21
CF2/(1 + 0,09)2 = 13 000/1,188 = 10 941,84
CF3/(1 + 0,09)3 = 28 000/1,295 = 21 621,14

Optellen

NPV = €−3 583,81

Antwoord

NPV = €−3 583,81

De NCW is negatief, dus het project verdient minder dan het vereiste rendement.

4.NCW & IRR

Antwoord: IRR = 11,03 %

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

De IRR insluiten

De NCW daalt als de rente stijgt, dus de IRR ligt tussen een rente met positieve en een met negatieve NCW.

NPV(10%) = 123,97
NPV(15%) = −453,69

Verfijnen

Lineair interpoleren geeft een eerste schatting; dat herhalen (of de IRR-functie van een rekenmachine) geeft de exacte rente.

IRR ≈ 10 + 5·123,97/(123,97 − (−453,69)) = 11,07%
exact: NPV(11,03%) = 0 → IRR = 11,03%

Antwoord

IRR = 11,03%
5.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: ΔP = 72,69 €

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Koers bij het oude rendement

C = €45,00, i = 0,035, N = 5
€45,00·(1 − 0,842)/0,035 + €1 000·0,842 = €203,18 + €841,97 = €1 045,15

Koers bij het nieuwe rendement

C = €45,00, i = 0,02, N = 5
€45,00·(1 − 0,9057)/0,02 + €1 000·0,9057 = €212,11 + €905,73 = €1 117,84

Verandering

ΔP = 1 117,84 − 1 045,15 = €72,69

Antwoord

ΔP = €72,69
6.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: YTM = 6,995 %

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Vergelijking voor het rendement

€1 060 = €80·(1 − (1 + y)⁻⁸)/y + €1 000/(1 + y)⁸

Los numeriek op

P(6%) = €1 124,20, P(7%) = €1 059,71
YTM = 6,995%

Antwoord

YTM = 6,995%
7.CAPM en WACC

Antwoord: WACC = 10,04 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Gewichten

V = 10 000 000 + 2 000 000 + 2 000 000 = €14 000 000
E/V = 0,7143, Ps/V = 0,1429, D/V = 0,1429

WACC

WACC = 0,7143·12% + 0,1429·8% + 0,1429·3%·(1 − 0,25) = 10,04%

Antwoord

WACC = 10,04%
8.CAPM en WACC

Antwoord: WACC = 8,354 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Kosten van het vreemd vermogen (YTM)

1062 = 40·(1 − (1 + y)−7)/y + 1000/(1 + y)7
y = 3,005%

Marktwaarden

D = 5 000·€1 062 = €5 310 000
V = €17 310 000, E/V = 0,6932, D/V = 0,3068

WACC

WACC = 0,6932·11% + 0,3068·3,005%·(1 − 0,21) = 8,354%

Antwoord

WACC = 8,354%
9.Beschrijvende statistiek

Antwoord: s = 10,37

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Gemiddelde

x̄ = 284/6 = 47,33

Gekwadrateerde afwijkingen

Σ(x − x̄)² = (−15,33)² + (−8,333)² + (−2,333)² + 9,667² + 8,667² + 7,667² = 537,3

Standaardafwijking

s = √(537,3/5) = 10,37

Antwoord

s = 10,37
10.Beschrijvende statistiek

Antwoord: z = 2

Beschrijvende statistiek: het gemiddelde is de som gedeeld door n; de mediaan is de middelste waarde van de gesorteerde gegevens (het gemiddelde van de twee middelste als n even is). De steekproefstandaardafwijking is s = √(Σ(x − x̄)²/(n − 1)). Een z-score z = (x − μ)/σ zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde ligt.

Standaardiseren

z = (620 − 500)/60 = 2

Antwoord

z = 2
11.Kansrekening

Antwoord: σ = 1,479

Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.

Gemiddelde

μ = 0·0,25 + 1·0,3 + 2·0,1 + 3·0,15 + 4·0,2 = 1,75

Gemiddelde van de kwadraten

E(X²) = 0·0,25 + 1·0,3 + 4·0,1 + 9·0,15 + 16·0,2 = 5,25

Variantie

Var(X) = 5,25 − 1,75² = 2,188
σ = √2,188 = 1,479

Antwoord

σ = 1,479
12.Kansrekening

Antwoord: σY = 15,03

Discrete stochasten: een kansverdeling geeft elke waarde x die een variabele kan aannemen met haar kans p(x); de kansen liggen tussen 0 en 1 en tellen op tot 1. De verwachtingswaarde (het gemiddelde) is E(X) = Σx·p(x), het gemiddelde op de lange termijn. De variantie is Var(X) = Σ(x − μ)²·p(x) = E(X²) − μ², en de standaardafwijking σ = √Var(X). Voor een lineaire transformatie Y = aX + b geldt: E(Y) = a·E(X) + b, Var(Y) = a²·Var(X) en σY = |a|·σX; een constante optellen verandert de spreiding niet.

Spreiding van X

μ = 2,2, Var(X) = 2,26, σX = 1,503

Lineaire transformatie

σY = |10|·1,503 = 15,03

Antwoord

σY = 15,03

Het gemiddelde verschuift wel: E(Y) = 10·2,2 − 3 = 19.

13.Normale verdeling

Antwoord: P = 0,4518

Normale verdeling: reken een waarde x om naar een z-score, z = (x − μ)/σ, die telt hoeveel standaardafwijkingen x van het gemiddelde ligt. Een z-tabel (of Φ(z)) geeft de oppervlakte links van z, en dat is P(X < x). De oppervlakte rechts is 1 − Φ(z), en de oppervlakte tussen twee waarden is het verschil van hun twee oppervlakten.

z-scores

z₁ = (62,5 − 65)/10 = −0,25
z₂ = (75,5 − 65)/10 = 1,05

Oppervlakte ertussen

P = Φ(1,05) − Φ(−0,25) = 0,8531 − 0,4013 = 0,4518

Antwoord

P = 0,4518
14.Normale verdeling

Antwoord: P = 0,8413

Sommen en verschillen van normale variabelen: als X en Y onafhankelijk en normaal verdeeld zijn, zijn X + Y en X − Y ook normaal verdeeld. Gemiddelden tellen op of worden afgetrokken: E(X ± Y) = μX ± μY. Varianties tellen altijd op, ook bij een verschil: Var(X ± Y) = σX² + σY², dus σ = √(σX² + σY²). Standaardafwijkingen tellen nooit rechtstreeks op. Het totaal van n onafhankelijke items met dezelfde verdeling heeft gemiddelde n·μ en standaardafwijking σ·√n. Standaardiseer daarna zoals gewoonlijk: z = (x − gemiddelde)/σ en lees Φ(z) af.

Verdeling van het verschil

μ = 500 − 490 = 10 g, σ = 10 g

Standaardiseren

z = (0 − 10)/10 = −1

Kansrekening

P = 1 − Φ(−1) = 0,8413

Antwoord

P = 0,8413
15.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: ondergrens = 79,99

Betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde: x̄ ± foutmarge. Met een bekende populatie-σ is de marge z·σ/√n; heb je alleen de steekproefstandaardafwijking s, gebruik dan t met n − 1 vrijheidsgraden: t·s/√n. Kritieke waarden: z = 1,645 (90%), 1,96 (95%), 2,576 (99%). Voor een marge van E of kleiner heb je n ≥ (z·σ/E)² nodig, naar boven afgerond.

Kritieke waarde

df = n − 1 = 6, t = 1,943

Foutmarge

E = 1,943·7,5/√7 = 5,508

Interval

85,5 ± 5,508 → [79,99, 91,01]

Antwoord

ondergrens = 79,99
16.Betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: n = 904

Betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde: x̄ ± foutmarge. Met een bekende populatie-σ is de marge z·σ/√n; heb je alleen de steekproefstandaardafwijking s, gebruik dan t met n − 1 vrijheidsgraden: t·s/√n. Kritieke waarden: z = 1,645 (90%), 1,96 (95%), 2,576 (99%). Voor een marge van E of kleiner heb je n ≥ (z·σ/E)² nodig, naar boven afgerond.

n oplossen

n = (2,576·35/3)² = 903,2

Naar boven afronden

Een steekproefomvang is een geheel getal, en naar beneden afronden zou de marge te groot maken.

n = 904

Antwoord

n = 904
17.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: p = 0,01242

Hypothesis test: the test statistic = (estimate − value under H₀)/(standard error under H₀). The p-value is the probability, assuming H₀ is true, of a statistic at least as extreme as the one observed: the area in one tail for a one-sided H₁, twice the tail area for a two-sided H₁. Reject H₀ when p ≤ α.

Toetsingsgrootheid

SE = σ/√n = 18/√36 = 3
z = (92,5 − 100)/3 = −2,5

Staartoppervlakte

Φ(2,5) = 0,9938
1 − Φ(2,5) = 0,0062

p-waarde

p = 2·0,0062 = 0,01242

Antwoord

p = 0,01242

p ≤ 0,05, dus H₀ wordt verworpen op het 5%-niveau.

18.Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen

Antwoord: U = 53,15

Toetsen van een gemiddelde: de toetsingsgrootheid meet hoeveel standaardfouten het steekproefgemiddelde van de waarde in H₀ af ligt: z = (x̄ − μ₀)/(σ/√n) als σ bekend is, t = (x̄ − μ₀)/(s/√n) als die uit de steekproef wordt geschat. Een betrouwbaarheidsinterval is x̄ ± (kritieke waarde)·(standaardfout).

Foutmarge

E = 1,645·8/√64 = 1,645

Intervalgrens

U = 51,5 + 1,645 = 53,15

Antwoord

U = 53,15
19.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: r = −0,9639

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gecentreerde sommen

Sxy = 231 − 15·88/5 = −33
Sxx = 55 − 15²/5 = 10
Syy = 1666 − 88²/5 = 117,2

Correlatiecoëfficiënt

r = −33/√(10·117,2) = −0,9639

Antwoord

r = −0,9639
20.Lineaire regressie en correlatie

Antwoord: ŷ = 106,5

Kleinstekwadratenregressie: met x̄ en ȳ de gemiddelden, Sxx = Σ(x − x̄)², Syy = Σ(y − ȳ)² en Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) heeft de lijn ŷ = a + b·x helling b = Sxy/Sxx en snijpunt a = ȳ − b·x̄, dus gaat ze altijd door (x̄, ȳ). De correlatiecoëfficiënt van Pearson r = Sxy/√(Sxx·Syy) ligt tussen −1 en 1; r² is het deel van de variatie in y dat door de lijn wordt verklaard.

Gemiddelden

x̄ = 48/6 = 8
ȳ = 566/6 = 94,33

Kwadraten- en productsommen

Sxx = Σ(x − x̄)² = 70
Sxy = Σ(x − x̄)(y − ȳ) = 426

Regressielijn

b = 426/70 = 6,086
a = 94,33 − 6,086·8 = 45,65
ŷ = 45,65 + 6,086·x

Voorspelling

ŷ = 45,65 + 6,086·10 = 106,5

Antwoord

ŷ = 106,5

Dit is onafhankelijk oefenmateriaal. ExamProblems is niet verbonden aan of goedgekeurd door de organisatie die dit examen afneemt, en de naam van het examen wordt alleen gebruikt om de inhoud te beschrijven. CFA® and Chartered Financial Analyst® zijn merken van CFA Institute, dat niet verbonden is aan ExamProblems, het niet onderschrijft en niet instaat voor de juistheid ervan.

ExamProblems · examproblems.com/courses/cfa-level-1-quant-and-fixed-income