Ondernemingsfinanciering: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 10 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Tijdswaarde van geld

Eindwaarde
FV = PV·(1 + i)n
Contante waarde
PV = FV/(1 + i)n
Meerdere perioden per jaar
i = r/m, N = m·n
Annuïteit, contante waarde
PV = PMT·[1 − (1 + i)−n]/i
Annuïteit, eindwaarde
FV = PMT·[(1 + i)n − 1]/i

Methode

  1. Teken een tijdlijn met elke kasstroom en het moment waarop die valt.
  2. Laat de rente aansluiten bij de periode: een maandrente voor maandelijkse betalingen.
  3. Gebruik FV = PV·(1 + i)ⁿ voor losse bedragen en de annuïteitenformules voor gelijke betalingen.
  4. Controleer het teken en de orde van grootte van het antwoord.

NCW & IRR

Netto contante waarde
NPV = −C0 + Σ CFt/(1 + r)t
Gelijke kasstromen
NPV = −C0 + CF·[1 − (1 + r)−n]/r
Interne rentevoet
de r waarbij NPV = 0
Beslissing
accepteren als NPV > 0 (of IRR > vereist rendement)

Methode

  1. Zet alle kasstromen met hun jaar op een rij; de investering in jaar 0 is negatief.
  2. Disconteer elke kasstroom: CFt/(1 + r)t.
  3. Tel ze op om de NCW te krijgen. Positief betekent dat het project meer oplevert dan r.
  4. Zoek voor de IRR de rente waarbij de NCW nul wordt, door proberen of interpoleren.

Obligatiekoers en rendement

Obligatiekoers
P = C·(1 − (1 + y)−n)/y + F/(1 + y)n
Halfjaarlijks
C/2, y/2 en 2n perioden
Lopend rendement
C/P
Koers en rendement
rendement omhoog → koers omlaag

Methode

  1. Bepaal de coupon per periode en het rendement per periode.
  2. Prijs = contante waarde van de coupons (een annuïteit) + contante waarde van de nominale waarde.
  3. Gebruik bij halfjaarlijkse coupons de halve coupon, het halve rendement en twee keer zoveel perioden.
  4. Controle: als het rendement boven de couponrente ligt, ligt de prijs onder de nominale waarde.

CAPM en WACC

CAPM
re = rf + β·(rm − rf)
WACC
E/V·re + D/V·rd·(1 − T)
Ondernemingswaarde
V = E + D

Break-evenanalyse

Dekkingsbijdrage
CM = p − v
Break-evenafzet
QBE = FC/(p − v)
Doelwinst
Q = (FC + profit)/(p − v)
Winst
π = (p − v)·Q − FC
Veiligheidsmarge
(Q − QBE)/Q

2Oefenopgaven

1.Tijdswaarde van geldGemiddeld
jaar012345PV = ?€15 000

Je hebt over 5 jaar €15 000 nodig. Een rekening geeft 4,8 % per jaar, per kwartaal samengesteld. Hoeveel moet je vandaag storten? Bereken de contante waarde PV.

FV = €15 0004,8% / 4n = 5
PV = €
2.Tijdswaarde van geldMoeilijk
jaar0123…10€1 000€1 000€1 000FV = ?

Je stort 10 jaar lang aan het begin van elk jaar €1 000, de eerste storting vandaag. De rekening geeft 3 % per jaar. Hoeveel staat er aan het eind van jaar 10 op de rekening? Bereken FV.

A = €1 000i = 3%n = 10
FV = €
3.NCW & IRRGemiddeld
jaar012345−50 00014 50020 50017 00017 50019 500

Een project kost vandaag €50 000 en levert aan het eind van jaar 1 tot en met 5 €14 500, €20 500, €17 000, €17 500, €19 500 op. De vermogenskosten zijn 5 %. Neem aan dat de kasstromen gelijkmatig over elk jaar binnenkomen. Bereken de verdisconteerde terugverdientijd DPB in jaren.

r = 5%CF0 = −50 000CF1 = 14 500CF2 = 20 500CF3 = 17 000CF4 = 17 500CF5 = 19 500
DPB = jaar
4.NCW & IRRMoeilijk
jaar012−40 00025 50025 500

Een project kost €40 000 en levert aan het eind van jaar 1 tot en met 2 €25 500, €25 500 op. Bereken de interne rentabiliteit IRR in procenten.

CF0 = −40 000CF1 = 25 500CF2 = 25 500
IRR = %
5.Obligatiekoers en rendementGemiddeld
jaar0123…12P€60€60€60 + €1 000

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 betaalt een jaarlijkse coupon van 6% en loopt over 12 jaar af. Het effectieve rendement verandert van 3% naar 4,5%. Hoeveel ΔP verandert de koers van de obligatie?

F = €1 000coupon = 6%n = 12y1 = 3%y2 = 4,5%
ΔP = €
6.Obligatiekoers en rendementMoeilijk
halve jaren0123456€1 014€20€20€20 + €1 000

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 betaalt een jaarlijkse coupon van 4% in twee halfjaarlijkse termijnen en loopt over 3 jaar af. Ze wordt verkocht voor €1 014. Bereken het effectieve rendement YTM als jaarrente (twee keer het halfjaarlijkse rendement), in procenten.

F = €1 000coupon = 4% (2×)n = 3P = €1 014
YTM = %
7.CAPM en WACCGemiddeld
WACC = 6,66%eigen vermogen€5 000 000re​ = ?schuld€5 000 000rd​ = 6%T = 28%

Een onderneming heeft eigen vermogen ter waarde van €5 000 000 en vreemd vermogen ter waarde van €5 000 000. De WACC is 6,66%, de kosten van het vreemd vermogen vóór belasting 6% en het belastingtarief is 28%. Bereken de kosten van het eigen vermogen re.

E = €5 000 000D = €5 000 000WACC = 6,66%rd = 6%T = 28%
re = %
8.CAPM en WACCMoeilijk
WACC = ?eigen vermogen€6 000 000re​ = 14%obligaties2 000 × €1 030coupon 7%, n = 8T = 28%

Een onderneming heeft eigen vermogen met een marktwaarde van €6 000 000 en kosten van het eigen vermogen van 14%. Het vreemd vermogen bestaat uit 2 000 obligaties (nominale waarde €1 000, jaarlijkse coupon 7%, resterende looptijd 8 jaar) die elk op €1 030 noteren. Het belastingtarief is 28%. Bereken de WACC, met het effectieve rendement van de obligaties als kosten van het vreemd vermogen vóór belasting.

E = €6 000 000re = 14%obligaties: 2 000 × €1 030coupon = 7%n = 8T = 28%
WACC = %
9.Break-evenanalyseGemiddeld
Q€omzettotale kostenvaste kostenQ = ?

Een product wordt verkocht voor €19 per stuk met variabele kosten van €15 per stuk. De vaste kosten zijn €20 000 per maand. Hoeveel stuks Q moeten er per maand verkocht worden voor een winst van €10 000?

F = €20 000p = €19v = €15winst = €10 000
Q = stuks
10.Break-evenanalyseMoeilijk
Q€omzettotale kostenvaste kostenBE

Een product wordt verkocht voor €37 per stuk, met variabele kosten van €25 per stuk en vaste kosten van €30 000 per jaar. De begrote afzet is 2 880 stuks. Bereken de veiligheidsmarge MS als percentage van de begrote afzet.

F = €30 000p = €37v = €25begroting = 2 880
MS = %

3Oplossingen

1.Tijdswaarde van geld

Antwoord: PV = 11816 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Rente en aantal perioden

i = 0,048/4 = 0,012
N = 4·5 = 20

Contante waarde

PV = FV/(1 + i)N = 15 000/1,269 = €11 816,29

Antwoord

PV = €11 816,29
2.Tijdswaarde van geld

Antwoord: FV = 11808 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Gewone annuïteitsfactor

((1 + 0,03)10 − 1)/0,03 = 11,46

Prenumerando annuïteit

Elke storting staat een jaar langer uit.

FV = 1 000·11,46·1,03 = €11 807,80

Antwoord

FV = €11 807,80
3.NCW & IRR

Antwoord: DPB = 3,202 jaar

Terugverdientijd: de tijd tot de cumulatieve kasstromen de initiële investering hebben terugbetaald. Aangenomen wordt dat het geld gelijkmatig over elk jaar binnenkomt, dus het laatste deel is een fractie van een jaar. De eenvoudige terugverdientijd negeert de tijdswaarde van geld; de verdisconteerde terugverdientijd gebruikt in plaats daarvan de contant gemaakte kasstromen.

Contant gemaakte en cumulatieve kasstromen

jaar 1: 14 500/1,05 = 13 809,52 → Σ = 13 809,52
jaar 2: 20 500/1,103 = 18 594,10 → Σ = 32 403,63
jaar 3: 17 000/1,158 = 14 685,24 → Σ = 47 088,87
jaar 4: 17 500/1,216 = 14 397,29 → Σ = 61 486,16

Fractie van het laatste jaar

DPB = 3 + 2 911,13/14 397,29 = 3,202

Antwoord

DPB = 3,202 jaar

De verdisconteerde terugverdientijd is altijd langer dan de eenvoudige terugverdientijd (2,882 jaar).

4.NCW & IRR

Antwoord: IRR = 17,85 %

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

De IRR insluiten

De NCW daalt als de rente stijgt, dus de IRR ligt tussen een rente met positieve en een met negatieve NCW.

NPV(15%) = 1 455,58
NPV(20%) = −1 041,67

Verfijnen

Lineair interpoleren geeft een eerste schatting; dat herhalen (of de IRR-functie van een rekenmachine) geeft de exacte rente.

IRR ≈ 15 + 5·1 455,58/(1 455,58 − (−1 041,67)) = 17,91%
exact: NPV(17,85%) = 0 → IRR = 17,85%

Antwoord

IRR = 17,85%
5.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: ΔP = −161,8 €

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Koers bij het oude rendement

C = €60,00, i = 0,03, N = 12
€60,00·(1 − 0,7014)/0,03 + €1 000·0,7014 = €597,24 + €701,38 = €1 298,62

Koers bij het nieuwe rendement

C = €60,00, i = 0,045, N = 12
€60,00·(1 − 0,5897)/0,045 + €1 000·0,5897 = €547,11 + €589,66 = €1 136,78

Verandering

ΔP = 1 136,78 − 1 298,62 = −€161,84

Antwoord

ΔP = −€161,84
6.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: YTM = 3,504 %

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Per periode

C = €20,00, N = 6

Los numeriek op

i = 1,752% per halfjaar

YTM

YTM = 2·1,752% = 3,504%

Antwoord

YTM = 3,504%
7.CAPM en WACC

Antwoord: re = 9 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Gewichten

V = €10 000 000, E/V = 0,5, D/V = 0,5

Deel van het vreemd vermogen in de WACC

0,5·6%·(1 − 0,28) = 2,16%

Kosten van het eigen vermogen

re = (6,66% − 2,16%)/0,5 = 9%

Antwoord

re = 9%
8.CAPM en WACC

Antwoord: WACC = 11,62 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Kosten van het vreemd vermogen (YTM)

1030 = 70·(1 − (1 + y)−8)/y + 1000/(1 + y)8
y = 6,507%

Marktwaarden

D = 2 000·€1 030 = €2 060 000
V = €8 060 000, E/V = 0,7444, D/V = 0,2556

WACC

WACC = 0,7444·14% + 0,2556·6,507%·(1 − 0,28) = 11,62%

Antwoord

WACC = 11,62%
9.Break-evenanalyse

Antwoord: Q = 7500 stuks

Kosten-volume-winst: elke verkochte eenheid levert een dekkingsbijdrage op: prijs min variabele kosten per stuk. Winst = Q·(p − v) − F, waarbij F de vaste kosten zijn. Bij het break-evenpunt is de winst nul, dus Q = F/(p − v).

Dekkingsbijdrage per stuk

p − v = 19 − 15 = €4

Afzet voor de doelwinst

Q = (F + winst)/(p − v) = (20 000 + 10 000)/4 = 7 500

Antwoord

Q = 7 500 stuks
10.Break-evenanalyse

Antwoord: MS = 13,19 %

Kosten-volume-winst: elke verkochte eenheid levert een dekkingsbijdrage op: prijs min variabele kosten per stuk. Winst = Q·(p − v) − F, waarbij F de vaste kosten zijn. Bij het break-evenpunt is de winst nul, dus Q = F/(p − v).

Break-evenafzet

Q = F/(p − v) = 30 000/12 = 2 500

Veiligheidsmarge

MS = (2 880 − 2 500)/2 880·100 = 13,19%

Antwoord

MS = 13,19%

ExamProblems · examproblems.com/courses/corporate-finance