Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Kinematica
Snelheid
v = v0 + a·t
Verplaatsing
s = v0·t + ½·a·t²
Zonder tijd
v² = v0² + 2·a·s
Eenheden
1 m/s = 3,6 km/h
Methode
Noteer wat je weet: v₀, v, a, t en s, met eenheden.
Kies de vergelijking met je drie bekenden en de onbekende.
Kies één positieve richting en geef tegengestelde grootheden een minteken.
Los op en controleer of het antwoord fysisch zinvol is.
Wetten van Newton
Tweede wet
ΣF = m·a
Gewicht
W = m·g
Kinetische wrijving
Ff = μ·N
Op een helling
langs: m·g·sin θ, loodrecht: m·g·cos θ
Methode
Teken een vrijlichaamsschema met elke kracht op het lichaam.
Kies een positieve richting langs de beweging.
Ontbind krachten in componenten langs en loodrecht op de beweging (op een helling: m·g·sin θ langs, m·g·cos θ de helling in).
Pas ΣF = m·a toe langs de beweging; wrijving is μ·N tegen de beweging in.
Kogelbaan
Componenten
vx = v0cos θ, vy = v0sin θ
Positie
x = vxt, y = h + vyt − ½gt²
Maximale hoogte
H = h + vy²/(2g)
Worpafstand (vlakke grond)
R = v0²·sin 2θ/g
Methode
Ontbind de beginsnelheid in componenten: vx = v₀·cos θ en vy = v₀·sin θ.
De horizontale beweging heeft een constante snelheid; de verticale beweging heeft versnelling −g.
Bepaal de vluchttijd uit de verticale beweging.
Gebruik die tijd in de horizontale beweging om de dracht te vinden.
Cirkelbeweging
Centripetale versnelling
a = v²/r = ω²·r
Centripetale kracht
F = m·v²/r
Hoeksnelheid
ω = v/r = 2π/T
Vlakke bocht, wrijving
vmax = √(μ·g·r)
Arbeid en energie
Kinetische energie
Ek = ½mv²
Potentiële energie
Ep = mgh
Energiebalans
Ek1 + Ep1 + W = Ek2 + Ep2 + losses
Wrijvingsarbeid
W = μ·N·d
Vermogen
P = W/t
Impuls en botsingen
Impuls
p = m·v
Behoud
Σm·v (before) = Σm·v (after)
Volkomen inelastisch
v′ = (m1v1 + m2v2)/(m1 + m2)
Stoot
J = F·Δt = m·Δv
Methode
Kies een positieve richting en geef elke snelheid haar teken.
Schrijf de totale impuls vooraf op: Σm·v.
Bij een volkomen inelastische botsing bewegen de lichamen daarna samen; bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden.
Stel de impuls vooraf gelijk aan de impuls achteraf en los op.
Rotatie van een star lichaam
Traagheidsmomenten om G
staaf mL²/12, schijf ½mR², ring mR², massieve bol (2/5)mR², holle bol (2/3)mR²
Stelling van Steiner
I = IG + m·d²
Traagheidsstraal
I = m·k²
Staaf om zijn uiteinde
I = mL²/3
Bewegingsvergelijking
ΣM = I·α
Snelheid in rad/s
ω = 2π·n/60
Kinetische energie
E = ½·I·ω²
Arbeid en vermogen
W = T·θ, P = T·ω
Rollen zonder slip
v = ω·r, E = ½mv²(1 + I/(mr²)), a = g·sin θ/(1 + I/(mr²))
Impulsmoment
L = I·ω, I1ω1 = I2ω2
Botsing om een draaipunt
m·v·d = I·ω
Methode
Kies de as: een vast draaipunt, of het zwaartepunt bij rollende lichamen.
Bepaal het traagheidsmoment om die as uit de standaardresultaten, met I = IG + m·d² voor een verschoven as.
Kies de methode: ΣM = I·α voor versnellingen en krachten, energie (½·I·ω² + ½·m·v² + m·g·h) voor snelheden, impulsmoment voor botsingen en plotselinge veranderingen.
Verbind lineaire en hoekbeweging met v = ω·r en a = α·r, en reken rpm om naar rad/s.
Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Ingrijpende tandwielen
n1·N1 = n2·N2
Koppel
T2 = T1·(N2/N1)·η
Vermogen
P = T·ω, ω = 2π·n/60
Meertraps overbrenging
totale overbrengingsverhouding = product van de trapverhoudingen
Veren en slingers
Massa aan een veer
T = 2π·√(m/k)
Slinger
T = 2π·√(L/g)
Hoekfrequentie
ω = √(k/m) = 2π/T
Maximale snelheid en versnelling
vmax = A·ω, amax = A·ω²
Energie
E = ½·k·A²
Mechanische trillingen
Eigenfrequentie
ωn = √(k/m), fn = ωn/(2π)
Uit de statische doorbuiging
ωn = √(g/δst)
Kritische demping
cc = 2√(km) = 2mωn
Dempingsverhouding
ζ = c/cc
Gedempte eigenfrequentie
ωd = ωn√(1 − ζ²)
Logaritmisch decrement
δ = (1/n)·ln(x0/xn), ζ = δ/√(4π² + δ²)
Veren parallel
k = k1 + k2
Veren in serie
1/k = 1/k1 + 1/k2
2Oefenopgaven
1.KinematicaGemiddeld
Een auto die met 60 km/h rijdt, remt met een constante vertraging van 8 m/s² tot hij stilstaat. Bereken de remweg s.
v₀ = 60 km/ha = −8 m/s²v = 0
s = m
2.KinematicaMoeilijk
Een steen wordt vanuit rust in een put losgelaten. De plons is 3,1 s na het loslaten te horen. De geluidssnelheid is 343 m/s; verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de diepte d van de put.
ttotal = 3,1 svsound = 343 m/sg = 9,81 m/s²
d = m
3.Wetten van NewtonGemiddeld
Een blok van 14 kg glijdt een helling af die 30° met de horizontaal maakt. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,25. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de versnelling a van het blok langs de helling.
m = 14 kgθ = 30°μ = 0,25g = 9,81 m/s²
a = m/s²
4.Wetten van NewtonMoeilijk
Een blok van 1 kg op een horizontale tafel is via een licht touw over een wrijvingsloze katrol verbonden met een hangende massa van 2 kg. De kinetische wrijvingscoëfficiënt tussen blok en tafel is 0,25. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de spankracht T in het touw.
m1 = 1 kgm2 = 2 kgμ = 0,25g = 9,81 m/s²
T = N
5.KogelbaanGemiddeld
Een bal wordt onder 50° boven de horizontaal vanaf vlak terrein weggeschoten. Verwaarloos luchtweerstand. Vind de maximale hoogte H die de bal bereikt.
v0 = 30 m/sθ = 50°g = 9,81 m/s²
H = m
6.KogelbaanMoeilijk
Een bal wordt onder 20° boven de horizontaal vanaf de top van een 30 m hoge klif weggeschoten. Verwaarloos luchtweerstand. Vind de horizontale afstand x die de bal aflegt voordat hij de grond raakt.
v0 = 15 m/sθ = 20°h = 30 mg = 9,81 m/s²
x = m
7.CirkelbewegingGemiddeld
Een auto neemt een vlakke bocht met een straal van 110 m. De statische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,6. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de hoogste snelheid vmax waarmee de auto de bocht kan nemen zonder te slippen.
r = 110 mμs = 0,6g = 9,81 m/s²
vmax = m/s
8.CirkelbewegingMoeilijk
Een bocht met straal 270 m heeft een verkanting van 18°, en de statische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,4. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de hoogste snelheid vmax waarmee een auto de bocht kan nemen zonder naar boven en naar buiten te glijden.
r = 270 mθ = 18°μs = 0,4g = 9,81 m/s²
vmax = m/s
9.Arbeid en energieGemiddeld
Een bal van 1 kg hangt aan een licht touwtje met lengte 2 m. Hij wordt opzij getrokken tot het touwtje 30° maakt met de verticaal en vanuit rust losgelaten. Vind de spankracht T in het touwtje als de bal het laagste punt passeert.
m = 1 kgL = 2 mθ = 30°g = 9,81 m/s²
T = N
10.Arbeid en energieMoeilijk
Een blok van 4 kg ligt op een ruwe horizontale tafel (μ = 0,2). Een licht touw loopt ervan over een gladde katrol aan de rand van de tafel naar een hangend blok van 4 kg. Het systeem wordt vanuit rust losgelaten. Vind de snelheid v van de blokken nadat het hangende blok 3 m is gezakt.
m1 = 4 kgm2 = 4 kgμ = 0,2d = 3 mg = 9,81 m/s²
v = m/s
11.Impuls en botsingenGemiddeld
Een kogel van 8 g wordt horizontaal afgevuurd in een houten blok van 2,5 kg dat aan lichte touwtjes hangt, en blijft erin steken. Het blok zwaait omhoog tot het 11 cm hoger is dan aan het begin. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de snelheid v van de kogel vóór de inslag.
m = 8 gM = 2,5 kgh = 11 cmg = 9,81 m/s²
v = m/s
12.Impuls en botsingenMoeilijk
Een auto van 1800 kg botst op een geparkeerde auto van 1500 kg. De wrakken haken in elkaar en slippen 4,5 m voordat ze stilstaan. De kinetische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,75. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de snelheid v1 van de eerste auto vlak vóór de botsing.
Een blok van 12,5 kg hangt aan een lichte koord die om een katrol is gewikkeld, een homogene massieve schijf met massa 11,5 kg en straal 0,35 m die wrijvingsloos om een horizontale as draait. Het blok wordt vanuit rust losgelaten. Gebruik g = 9,81 m/s². Bepaal de hoekversnelling α van de katrol.
m = 12,5 kgM = 11,5 kgR = 0,35 mg = 9,81 m/s²
α = rad/s²
14.Rotatie van een star lichaamMoeilijk
Een massieve bol met massa 7,5 kg rolt zonder slip met 6 m/s. Bepaal zijn rotatie-energie Erot.
m = 7,5 kgv = 6 m/sI = (2/5)·m·r²
Erot = J
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingenGemiddeld
Een worm met 4 gang(en) draait met 1440 rpm en drijft een wormwiel met 80 tanden aan. Vind het toerental nw van het wiel.
z = 4Nw = 80n = 1440 rpm
nw = rpm
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingenMoeilijk
In een meertraps tandwieloverbrenging drijft tandwiel A (30 tanden) op de ingaande as, die met 1500 rpm draait, tandwiel B (45 tanden) aan. Tandwiel C (18 tanden) zit vast op dezelfde as als B en drijft tandwiel D (45 tanden) op de uitgaande as aan. Bereken het uitgaande toerental nout.
nin = 1500 rpmA = 30B = 45C = 18D = 45
nout = rpm
17.Veren en slingersGemiddeld
Een mathematische slinger heeft een lengte van 0,4 m. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de slingertijd T bij kleine uitwijkingen.
L = 0,4 mg = 9,81 m/s²
T = s
18.Veren en slingersMoeilijk
Een massa van 2,4 kg aan een veer met k = 110 N/m wordt 17 cm uit de evenwichtsstand getrokken en losgelaten. Bereken de totale energie E van de trilling.
m = 2,4 kgk = 110 N/mA = 17 cm
E = J
19.Mechanische trillingenGemiddeld
Een massa van 20 kg aan een veer met een stijfheid van 15 kN/m heeft een viskeuze demper die een dempingsverhouding van 0,4 geeft. Vind de gedempte eigenfrequentie fd van de vrije trilling in Hz.
m = 20 kgk = 15 kN/mζ = 0,4
fd = Hz
20.Mechanische trillingenMoeilijk
Een massa van 20 kg hangt aan twee veren die achter elkaar zitten (in serie): de bovenste veer heeft k₁ = 30 kN/m en de onderste k₂ = 80 kN/m. Verwaarloos demping en de massa’s van de veren. Vind de eigenfrequentie fn van de verticale trilling in Hz.
m = 20 kgk1 = 30 kN/mk2 = 80 kN/m
fn = Hz
3Oplossingen
1.Kinematica
Antwoord: s = 17,36 m
Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.
Eenheden
v₀ = 60/3,6 = 16,67 m/s
Remweg
0 = v₀² − 2·a·s → s = v₀²/(2a) = 16,67²/(2·8) = 17,36 m
Antwoord
s = 17,36 m
2.Kinematica
Antwoord: d = 43,37 m
Motion with constant acceleration: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² and v² = v₀² + 2·a·s. Pick the equation that contains the three things you know and the one you want, and keep the signs consistent with one positive direction.
Twee delen van de tijd
½·9,81·t₁² = 343·(3,1 − t₁)
4,905·t₁² + 343·t₁ − 1063 = 0
Valtijd
Alleen de positieve wortel is fysisch zinvol.
t₁ = (−343 + √(343² + 4·4,905·1063))/(2·4,905) = 2,974 s
Diepte
d = ½·9,81·2,974² = 43,37 m
Antwoord
d = 43,37 m
3.Wetten van Newton
Antwoord: a = 2,781 m/s²
Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.
Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.
Kogelbaan: zonder luchtweerstand geldt x = vxt en y = h + vyt − ½gt². De twee richtingen zijn onafhankelijk, behalve dat ze dezelfde tijd delen.
Ontbind de beginsnelheid
De horizontale snelheid blijft constant; de verticale beweging heeft een constante versnelling g = 9,81 m/s² omlaag.
vx = v0·cos θ = 30·cos 50° = 19,28 m/s
vy = v0·sin θ = 30·sin 50° = 22,98 m/s
Hoogste punt
Bovenaan is de verticale snelheid nul: vy² = 2gH.
H = vy²/(2g) = 22,98²/(2·9,81) = 26,92 m
Antwoord
H = 26,92 m
6.Kogelbaan
Antwoord: x = 43 m
Kogelbaan: zonder luchtweerstand geldt x = vxt en y = h + vyt − ½gt². De twee richtingen zijn onafhankelijk, behalve dat ze dezelfde tijd delen.
Ontbind de beginsnelheid
De horizontale snelheid blijft constant; de verticale beweging heeft een constante versnelling g = 9,81 m/s² omlaag.
vx = v0·cos θ = 15·cos 20° = 14,1 m/s
vy = v0·sin θ = 15·sin 20° = 5,13 m/s
Vliegtijd
Los y(t) = h + vy·t − ½gt² = 0 op voor de positieve wortel.
0 = 30 + 5,13·t − 4,905·t²
t = (vy + √(vy² + 2gh))/g = (5,13 + √(26,32 + 588,6))/9,81 = 3,051 s
Horizontale afstand
x = vx·t = 14,1·3,051 = 43 m
Antwoord
x = 43 m
7.Cirkelbeweging
Antwoord: vmax = 25,45 m/s
Eenparige cirkelbeweging: een voorwerp dat met snelheid v over een cirkel met straal r beweegt, versnelt naar het middelpunt met a = v²/r, dus het heeft een resulterende kracht naar binnen nodig: F = m·v²/r. Die kracht wordt geleverd door iets echts: wrijving, spankracht, zwaartekracht of een normaalkracht.
Wrijving levert de centripetale kracht
m·v²/r = μ·m·g
v = √(μ·g·r) = √(0,6·9,81·110) = 25,45 m/s
Antwoord
vmax = 25,45 m/s (91,6 km/h)
8.Cirkelbeweging
Antwoord: vmax = 46,98 m/s
Uniform circular motion: an object moving at speed v on a circle of radius r accelerates towards the centre with a = v²/r, so it needs a net inward force F = m·v²/r. That force is supplied by something real: friction, tension, gravity or a normal force.
Krachtenevenwichten
De wrijving wijst de helling af.
N·(sin θ + μ·cos θ) = m·v²/r
N·(cos θ − μ·sin θ) = m·g
Snelheid
v = √(270·9,81·0,6894/0,8274) = 46,98 m/s
Antwoord
vmax = 46,98 m/s
(169,1 km/h)
9.Arbeid en energie
Antwoord: T = 12,44 N
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d). Op een cirkelbaan moet de nettokracht naar het middelpunt gelijk zijn aan mv²/r.
Snelheid onderaan
v² = 2gL(1 − cos θ) = 2·9,81·2·(1 − cos 30°) = 5,257 m²/s²
Krachten onderaan
m·g = 1·9,81 = 9,81 N
T = mg + mv²/L = 9,81 + 1·5,257/2 = 12,44 N
Antwoord
T = 12,44 N
Controle: T = mg(3 − 2cos θ) = 12,44 N.
10.Arbeid en energie
Antwoord: v = 4,852 m/s
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Vrijgekomen en verloren energie
m₂g·d = 39,24·3 = 117,7 J
μ·m₁g·d = 0,2·39,24·3 = 23,54 J
Kinetische energie van beide blokken
½(m₁ + m₂)v² = 94,18 → v = √(2·94,18/8) = 4,852 m/s
Antwoord
v = 4,852 m/s
11.Impuls en botsingen
Antwoord: v = 460,6 m/s
Conservation of momentum: when no external force acts during a collision, the total momentum Σm·v before equals the total after. Velocities have a direction, so pick a positive direction and give velocities the other way a minus sign. In an elastic collision kinetic energy is conserved too; in a perfectly inelastic one the bodies stick together.
Zwaai na de inslag
V = √(2·g·h) = √(2·9,81·0,11) = 1,469 m/s
Botsing
m·v = (m + M)·V → v = (0,008 + 2,5)·1,469/0,008 = 460,6 m/s
Antwoord
v = 460,6 m/s
12.Impuls en botsingen
Antwoord: v1 = 14,92 m/s
Conservation of momentum: when no external force acts during a collision, the total momentum Σm·v before equals the total after. Velocities have a direction, so pick a positive direction and give velocities the other way a minus sign. In an elastic collision kinetic energy is conserved too; in a perfectly inelastic one the bodies stick together.
Rotation about a fixed axis: the sum of the moments about the axis equals I·α (ΣM = I·α), just as ΣF = m·a for translation. In energy form, a torque T turning through an angle θ (in radians) does work T·θ, which changes the kinetic energy ½·I·ω²; gravity adds or removes m·g·Δh of the centre of mass. Power is P = T·ω.
Rolling and angular momentum: a body rolling without slipping has v = ω·r, so its kinetic energy is ½·m·v² + ½·I·ω² = ½·m·v²·(1 + I/(m·r²)). Down a slope that gives a = g·sin θ/(1 + I/(m·r²)). When no external moment acts about an axis, the angular momentum about that axis stays constant, I₁·ω₁ = I₂·ω₂, even if kinetic energy is lost.
Gear trains: meshing gears have the same speed at the teeth, so n₁·N₁ = n₂·N₂: the gear with fewer teeth turns faster. Gears on one shaft turn at the same speed. Power is passed on (minus losses), so torque goes up when speed goes down: T₂ = T₁·(N₂/N₁)·η, and P = T·ω with ω = 2π·n/60.
Toerental van het wiel
nw = n·z/Nw = 1440·4/80 = 72 rpm
Antwoord
nw = 72 rpm
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: nout = 400 rpm
Tandwieloverbrengingen: ingrijpende tandwielen hebben dezelfde snelheid bij de tanden, dus n₁·N₁ = n₂·N₂: het tandwiel met minder tanden draait sneller. Tandwielen op één as draaien met hetzelfde toerental. Het vermogen wordt doorgegeven (min verliezen), dus het koppel stijgt als het toerental daalt: T₂ = T₁·(N₂/N₁)·η, en P = T·ω met ω = 2π·n/60.
Eerste trap
nB = 1500·30/45 = 1000 rpm = nC
Tweede trap
nout = 1000·18/45 = 400 rpm
Antwoord
nout = 400 rpm
totale overbrengingsverhouding = 3,75 : 1
17.Veren en slingers
Antwoord: T = 1,269 s
Harmonische trilling: een massa m aan een veer met veerconstante k trilt met hoekfrequentie ω = √(k/m) en trillingstijd T = 2π/ω = 2π·√(m/k). Een mathematische slinger met lengte L heeft T = 2π·√(L/g). Bij amplitude A is de grootste snelheid A·ω, de grootste versnelling A·ω² en de energie ½·k·A².
Slingertijd
T = 2π·√(0,4/9,81) = 1,269 s
Antwoord
T = 1,269 s
18.Veren en slingers
Antwoord: E = 1,59 J
Harmonische trilling: een massa m aan een veer met veerconstante k trilt met hoekfrequentie ω = √(k/m) en trillingstijd T = 2π/ω = 2π·√(m/k). Een mathematische slinger met lengte L heeft T = 2π·√(L/g). Bij amplitude A is de grootste snelheid A·ω, de grootste versnelling A·ω² en de energie ½·k·A².
Hoekfrequentie
ω = √(110/2,4) = 6,77 rad/s
Energie
E = ½·k·A² = ½·110·0,17² = 1,59 J
Antwoord
E = 1,59 J
19.Mechanische trillingen
Antwoord: fd = 3,995 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Ongedempte eigenfrequentie
ωn = √(15000/20) = 27,39 rad/s
fn = 27,39/(2π) = 4,359 Hz
Gedempte eigenfrequentie
fd = fn·√(1 − ζ²) = 4,359·√(1 − 0,4²) = 3,995 Hz
Antwoord
fd = 3,995 Hz
20.Mechanische trillingen
Antwoord: fn = 5,257 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Vervangende stijfheid
Veren in serie dragen dezelfde kracht en hun doorbuigingen tellen op, dus ze combineren via hun omgekeerde: 1/k = 1/k1 + 1/k2.