Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Kinematica
Snelheid
v = v0 + a·t
Verplaatsing
s = v0·t + ½·a·t²
Zonder tijd
v² = v0² + 2·a·s
Eenheden
1 m/s = 3,6 km/h
Methode
Noteer wat je weet: v₀, v, a, t en s, met eenheden.
Kies de vergelijking met je drie bekenden en de onbekende.
Kies één positieve richting en geef tegengestelde grootheden een minteken.
Los op en controleer of het antwoord fysisch zinvol is.
Wetten van Newton
Tweede wet
ΣF = m·a
Gewicht
W = m·g
Kinetische wrijving
Ff = μ·N
Op een helling
langs: m·g·sin θ, loodrecht: m·g·cos θ
Methode
Teken een vrijlichaamsschema met elke kracht op het lichaam.
Kies een positieve richting langs de beweging.
Ontbind krachten in componenten langs en loodrecht op de beweging (op een helling: m·g·sin θ langs, m·g·cos θ de helling in).
Pas ΣF = m·a toe langs de beweging; wrijving is μ·N tegen de beweging in.
Kogelbaan
Componenten
vx = v0cos θ, vy = v0sin θ
Positie
x = vxt, y = h + vyt − ½gt²
Maximale hoogte
H = h + vy²/(2g)
Worpafstand (vlakke grond)
R = v0²·sin 2θ/g
Methode
Ontbind de beginsnelheid in componenten: vx = v₀·cos θ en vy = v₀·sin θ.
De horizontale beweging heeft een constante snelheid; de verticale beweging heeft versnelling −g.
Bepaal de vluchttijd uit de verticale beweging.
Gebruik die tijd in de horizontale beweging om de dracht te vinden.
Cirkelbeweging
Centripetale versnelling
a = v²/r = ω²·r
Centripetale kracht
F = m·v²/r
Hoeksnelheid
ω = v/r = 2π/T
Vlakke bocht, wrijving
vmax = √(μ·g·r)
Arbeid en energie
Kinetische energie
Ek = ½mv²
Potentiële energie
Ep = mgh
Energiebalans
Ek1 + Ep1 + W = Ek2 + Ep2 + losses
Wrijvingsarbeid
W = μ·N·d
Vermogen
P = W/t
Impuls en botsingen
Impuls
p = m·v
Behoud
Σm·v (before) = Σm·v (after)
Volkomen inelastisch
v′ = (m1v1 + m2v2)/(m1 + m2)
Stoot
J = F·Δt = m·Δv
Methode
Kies een positieve richting en geef elke snelheid haar teken.
Schrijf de totale impuls vooraf op: Σm·v.
Bij een volkomen inelastische botsing bewegen de lichamen daarna samen; bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden.
Stel de impuls vooraf gelijk aan de impuls achteraf en los op.
Rotatie van een star lichaam
Traagheidsmomenten om G
staaf mL²/12, schijf ½mR², ring mR², massieve bol (2/5)mR², holle bol (2/3)mR²
Stelling van Steiner
I = IG + m·d²
Traagheidsstraal
I = m·k²
Staaf om zijn uiteinde
I = mL²/3
Bewegingsvergelijking
ΣM = I·α
Snelheid in rad/s
ω = 2π·n/60
Kinetische energie
E = ½·I·ω²
Arbeid en vermogen
W = T·θ, P = T·ω
Rollen zonder slip
v = ω·r, E = ½mv²(1 + I/(mr²)), a = g·sin θ/(1 + I/(mr²))
Impulsmoment
L = I·ω, I1ω1 = I2ω2
Botsing om een draaipunt
m·v·d = I·ω
Methode
Kies de as: een vast draaipunt, of het zwaartepunt bij rollende lichamen.
Bepaal het traagheidsmoment om die as uit de standaardresultaten, met I = IG + m·d² voor een verschoven as.
Kies de methode: ΣM = I·α voor versnellingen en krachten, energie (½·I·ω² + ½·m·v² + m·g·h) voor snelheden, impulsmoment voor botsingen en plotselinge veranderingen.
Verbind lineaire en hoekbeweging met v = ω·r en a = α·r, en reken rpm om naar rad/s.
Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Ingrijpende tandwielen
n1·N1 = n2·N2
Koppel
T2 = T1·(N2/N1)·η
Vermogen
P = T·ω, ω = 2π·n/60
Meertraps overbrenging
totale overbrengingsverhouding = product van de trapverhoudingen
Veren en slingers
Massa aan een veer
T = 2π·√(m/k)
Slinger
T = 2π·√(L/g)
Hoekfrequentie
ω = √(k/m) = 2π/T
Maximale snelheid en versnelling
vmax = A·ω, amax = A·ω²
Energie
E = ½·k·A²
Mechanische trillingen
Eigenfrequentie
ωn = √(k/m), fn = ωn/(2π)
Uit de statische doorbuiging
ωn = √(g/δst)
Kritische demping
cc = 2√(km) = 2mωn
Dempingsverhouding
ζ = c/cc
Gedempte eigenfrequentie
ωd = ωn√(1 − ζ²)
Logaritmisch decrement
δ = (1/n)·ln(x0/xn), ζ = δ/√(4π² + δ²)
Veren parallel
k = k1 + k2
Veren in serie
1/k = 1/k1 + 1/k2
2Oefenopgaven
1.KinematicaGemiddeld
Een bestuurster die met 45 km/h rijdt, ziet een obstakel. Haar reactietijd is 1 s, waarna de auto remt met een constante vertraging van 7 m/s². Vind de totale stopafstand d vanaf het moment dat ze het obstakel ziet.
v₀ = 45 km/htr = 1 sa = −7 m/s²
d = m
2.KinematicaMoeilijk
Een bal wordt met 15 m/s recht omhoog gegooid vanaf de rand van een dak 15 m boven de grond. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de grootste hoogte hmax boven de grond.
v₀ = 15 m/sh₀ = 15 mg = 9,81 m/s²
hmax = m
3.Wetten van NewtonGemiddeld
Een blok van 15 kg glijdt een helling af die 40° met de horizontaal maakt. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,2. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de versnelling a van het blok langs de helling.
m = 15 kgθ = 40°μ = 0,2g = 9,81 m/s²
a = m/s²
4.Wetten van NewtonMoeilijk
Een blok van 7,5 kg op een horizontale tafel is via een licht touw over een wrijvingsloze katrol verbonden met een hangende massa van 3 kg. De kinetische wrijvingscoëfficiënt tussen blok en tafel is 0,3. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de spankracht T in het touw.
m1 = 7,5 kgm2 = 3 kgμ = 0,3g = 9,81 m/s²
T = N
5.KogelbaanGemiddeld
Een bal wordt vanaf vlakke grond gelanceerd met 32 m/s en moet 85 m verderop landen. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de kleinste van de twee mogelijke elevatiehoeken θ.
v₀ = 32 m/sR = 85 mg = 9,81 m/s²
θ = °
6.KogelbaanMoeilijk
Een bal wordt gelanceerd met 16 m/s onder 50° boven de horizontaal vanaf de top van een klif van 30 m. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de grootste hoogte H boven de grond aan de voet van de klif.
v₀ = 16 m/sθ = 50°h = 30 mg = 9,81 m/s²
H = m
7.CirkelbewegingGemiddeld
In een rotor op de kermis staan de deelnemers tegen de wand van een verticale cilinder met straal 2,1 m. Als die snel genoeg draait, zakt de vloer weg en houdt de wrijving hen omhoog. De statische wrijvingscoëfficiënt is 0,8. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de kleinste hoeksnelheid ω in rad/s.
r = 2,1 mμs = 0,8g = 9,81 m/s²
ω = rad/s
8.CirkelbewegingMoeilijk
Een bocht met straal 170 m heeft een verkanting van 15°, en de statische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,3. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de hoogste snelheid vmax waarmee een auto de bocht kan nemen zonder naar boven en naar buiten te glijden.
r = 170 mθ = 15°μs = 0,3g = 9,81 m/s²
vmax = m/s
9.Arbeid en energieGemiddeld
Een blok van 10 kg glijdt 12 m een helling af onder 25° met de horizontaal, met een kinetische wrijvingscoëfficiënt van 0,35. Vind de arbeid Wf tegen de wrijving.
m = 10 kgθ = 25°μ = 0,35d = 12 mg = 9,81 m/s²
Wf = J
10.Arbeid en energieMoeilijk
Een karretje van 2 kg wordt vanuit rust losgelaten op een hoogte van 3,2 m op een gladde baan die uitkomt in een verticale looping met straal 1 m. Vind de normaalkracht N die de baan bovenaan de looping op het karretje uitoefent.
m = 2 kgh = 3,2 mR = 1 mg = 9,81 m/s²
N = N
11.Impuls en botsingenGemiddeld
Een kogel van 5 g wordt horizontaal afgevuurd in een houten blok van 3 kg dat aan lichte touwtjes hangt, en blijft erin steken. Het blok zwaait omhoog tot het 14 cm hoger is dan aan het begin. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de snelheid v van de kogel vóór de inslag.
m = 5 gM = 3 kgh = 14 cmg = 9,81 m/s²
v = m/s
12.Impuls en botsingenMoeilijk
Een auto van 1400 kg botst op een geparkeerde auto van 1600 kg. De wrakken haken in elkaar en slippen 12 m voordat ze stilstaan. De kinetische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,6. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de snelheid v1 van de eerste auto vlak vóór de botsing.
Een vliegwiel met een traagheidsmoment van 1 kg·m² draait met 1300 rpm. Een rem oefent een constant wrijvingskoppel van 45 N·m uit. Hoe lang t duurt het voordat het stilstaat?
I = 1 kg·m²n = 1300 rpmTb = 45 N·m
t = s
14.Rotatie van een star lichaamMoeilijk
Een holle bol begint vanuit rust en rolt zonder slip van een helling die 40° met het horizontale vlak maakt. Gebruik g = 9,81 m/s². Bepaal zijn snelheid v nadat hij 9,5 m langs de helling is gerold.
θ = 40°s = 9,5 mI = (2/3)·m·r²g = 9,81 m/s²
v = m/s
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingenGemiddeld
Een riem loopt op een aandrijvende schijf van 160 mm met 1500 rpm. De spanning is 1500 N in het trekkende deel en 750 N in het slappe deel. Bepaal het overgebrachte vermogen P, in kW.
d1 = 160 mmn1 = 1500 rpmT1 = 1500 NT2 = 750 N
P = kW
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingenMoeilijk
Een open riem verbindt een aandrijvende schijf van 100 mm met 2880 rpm met een schijf van 300 mm; de hartafstand is 800 mm. De wrijvingscoëfficiënt is 0,35 en de spanning in het trekkende deel mag niet meer dan 2000 N zijn. Bepaal het grootste vermogen P dat de riem kan overbrengen zonder te slippen, in kW (verwaarloos centrifugaaleffecten).
Hoe lang moet een mathematische slinger zijn om een slingertijd van 1,1 s te hebben? Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken L.
T = 1,1 sg = 9,81 m/s²
L = m
18.Veren en slingersMoeilijk
Een voorwerp voert een harmonische trilling uit met trillingstijd 2,4 s en amplitude 17 cm. Wat is de kortste tijd t die het nodig heeft om van zijn maximale uitwijking van 17 cm naar een uitwijking van 13,6 cm te gaan?
T = 2,4 sA = 17 cmx = 13,6 cm
t = s
19.Mechanische trillingenGemiddeld
Een massa van 5 kg aan een veer met een stijfheid van 2 kN/m heeft een viskeuze demper die een dempingsverhouding van 0,3 geeft. Vind de gedempte eigenfrequentie fd van de vrije trilling in Hz.
m = 5 kgk = 2 kN/mζ = 0,3
fd = Hz
20.Mechanische trillingenMoeilijk
Een massa van 25 kg hangt aan veer k₃ = 5 kN/m. De bovenkant van k₃ zit vast aan een starre balk die aan twee veren naast elkaar hangt, k₁ = 20 kN/m en k₂ = 100 kN/m; de balk blijft horizontaal. Verwaarloos demping en de massa’s van de veren en de balk. Vind de eigenfrequentie fn van de verticale trilling in Hz.
m = 25 kgk1 = 20 kN/mk2 = 100 kN/mk3 = 5 kN/m
fn = Hz
3Oplossingen
1.Kinematica
Antwoord: d = 23,66 m
Motion with constant acceleration: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² and v² = v₀² + 2·a·s. Pick the equation that contains the three things you know and the one you want, and keep the signs consistent with one positive direction.
Eenheden
v₀ = 45/3,6 = 12,5 m/s
Reactieafstand
d1 = v₀·tr = 12,5·1 = 12,5 m
Remweg
d2 = v₀²/(2a) = 12,5²/(2·7) = 11,16 m
Totaal
d = 12,5 + 11,16 = 23,66 m
Antwoord
d = 23,66 m
2.Kinematica
Antwoord: hmax = 26,47 m
Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.
Stijging boven het dak
0 = v₀² − 2·g·Δh → Δh = 15²/(2·9,81) = 11,47 m
Hoogte boven de grond
hmax = 15 + 11,47 = 26,47 m
Antwoord
hmax = 26,47 m
3.Wetten van Newton
Antwoord: a = 4,803 m/s²
Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.
Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.
Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.
Formule voor de worpafstand
R = v₀²·sin 2θ/g → sin 2θ = 9,81·85/32² = 0,8143
Hoek
2θ = 54,52° → θ = 27,26°
Antwoord
θ = 27,26°
De andere oplossing is 90° − θ = 62,74°.
6.Kogelbaan
Antwoord: H = 37,66 m
Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.
Verticale beginsnelheid
vy = 16·sin 50° = 12,26 m/s
Stijging boven de klif
Δh = vy²/(2g) = 12,26²/(2·9,81) = 7,657 m
Hoogte boven de grond
H = 30 + 7,657 = 37,66 m
Antwoord
H = 37,66 m
7.Cirkelbeweging
Antwoord: ω = 2,416 rad/s
Uniform circular motion: an object moving at speed v on a circle of radius r accelerates towards the centre with a = v²/r, so it needs a net inward force F = m·v²/r. That force is supplied by something real: friction, tension, gravity or a normal force.
Krachten op een deelnemer
N = m·ω²·r
μ·N = m·g → μ·ω²·r = g
Hoeksnelheid
ω = √(g/(μ·r)) = √(9,81/(0,8·2,1)) = 2,416 rad/s
Antwoord
ω = 2,416 rad/s
8.Cirkelbeweging
Antwoord: vmax = 32,09 m/s
Uniform circular motion: an object moving at speed v on a circle of radius r accelerates towards the centre with a = v²/r, so it needs a net inward force F = m·v²/r. That force is supplied by something real: friction, tension, gravity or a normal force.
Krachtenevenwichten
De wrijving wijst de helling af.
N·(sin θ + μ·cos θ) = m·v²/r
N·(cos θ − μ·sin θ) = m·g
Snelheid
v = √(170·9,81·0,5486/0,8883) = 32,09 m/s
Antwoord
vmax = 32,09 m/s
(115,5 km/h)
9.Arbeid en energie
Antwoord: Wf = 373,4 J
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Wrijvingskracht
N = mg·cos θ = 98,1·0,9063 = 88,91 N
F = μN = 0,35·88,91 = 31,12 N
Arbeid tegen de wrijving
Wf = F·d = 31,12·12 = 373,4 J
Antwoord
Wf = 373,4 J
10.Arbeid en energie
Antwoord: N = 27,47 N
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d). Op een cirkelbaan moet de nettokracht naar het middelpunt gelijk zijn aan mv²/r.
Snelheid bovenaan
v² = 2g(h − 2R) = 2·9,81·(3,2 − 2) = 23,54 m²/s²
Krachten bovenaan
m·g = 2·9,81 = 19,62 N
N = mv²/R − mg = 2·23,54/1 − 19,62 = 27,47 N
Antwoord
N = 27,47 N
Het karretje komt er net rond als h = 2,5R; dan is N = 0 bovenaan.
11.Impuls en botsingen
Antwoord: v = 996,1 m/s
Conservation of momentum: when no external force acts during a collision, the total momentum Σm·v before equals the total after. Velocities have a direction, so pick a positive direction and give velocities the other way a minus sign. In an elastic collision kinetic energy is conserved too; in a perfectly inelastic one the bodies stick together.
Zwaai na de inslag
V = √(2·g·h) = √(2·9,81·0,14) = 1,657 m/s
Botsing
m·v = (m + M)·V → v = (0,005 + 3)·1,657/0,005 = 996,1 m/s
Antwoord
v = 996,1 m/s
12.Impuls en botsingen
Antwoord: v1 = 25,47 m/s
Conservation of momentum: when no external force acts during a collision, the total momentum Σm·v before equals the total after. Velocities have a direction, so pick a positive direction and give velocities the other way a minus sign. In an elastic collision kinetic energy is conserved too; in a perfectly inelastic one the bodies stick together.
Rotation about a fixed axis: the sum of the moments about the axis equals I·α (ΣM = I·α), just as ΣF = m·a for translation. In energy form, a torque T turning through an angle θ (in radians) does work T·θ, which changes the kinetic energy ½·I·ω²; gravity adds or removes m·g·Δh of the centre of mass. Power is P = T·ω.
Hoeksnelheid
ω = 2π·1300/60 = 136,1 rad/s
Vertraging en tijd
α = Tb/I = 45/1 = 45 rad/s²
t = ω/α = 136,1/45 = 3,025 s
Antwoord
t = 3,025 s
14.Rotatie van een star lichaam
Antwoord: v = 8,479 m/s
Rolling and angular momentum: a body rolling without slipping has v = ω·r, so its kinetic energy is ½·m·v² + ½·I·ω² = ½·m·v²·(1 + I/(m·r²)). Down a slope that gives a = g·sin θ/(1 + I/(m·r²)). When no external moment acts about an axis, the angular momentum about that axis stays constant, I₁·ω₁ = I₂·ω₂, even if kinetic energy is lost.
Gezakte hoogte
h = s·sin θ = 9,5·sin 40° = 6,106 m
Energiebalans bij rollen
Rollen zonder slip: ω = v/r, en wrijving verricht geen arbeid in het contactpunt.
m·g·h = ½·m·v²·(1 + 0,6667)
v = √(2·9,81·6,106/1,667) = 8,479 m/s
Antwoord
v = 8,479 m/s
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: P = 9,425 kW
Riemaandrijvingen: zonder slip hebben beide schijven dezelfde omtreksnelheid v = π·d·n/60, dus n₁·d₁ = n₂·d₂ en de overbrengingsverhouding is d₂/d₁. Slip s maakt de aangedreven schijf iets langzamer: n₂ = n₁·(d₁/d₂)·(1 − s). Het overgebrachte vermogen is P = (T₁ − T₂)·v, met T₁ de spanning in het trekkende deel en T₂ in het slappe deel. Wrijving beperkt de verhouding van de spanningen: T₁/T₂ = eμθ, waarbij θ de omspanningshoek in radialen op de kleinere schijf is; voor een open riem is θ = π − 2·asin((d₂ − d₁)/(2C)) met hartafstand C.
Riemsnelheid
v = 12,57 m/s
Vermogen
P = (1500 − 750)·12,57 = 9425 W = 9,425 kW
Antwoord
P = 9,425 kW
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: P = 19,19 kW
Riemaandrijvingen: zonder slip hebben beide schijven dezelfde omtreksnelheid v = π·d·n/60, dus n₁·d₁ = n₂·d₂ en de overbrengingsverhouding is d₂/d₁. Slip s maakt de aangedreven schijf iets langzamer: n₂ = n₁·(d₁/d₂)·(1 − s). Het overgebrachte vermogen is P = (T₁ − T₂)·v, met T₁ de spanning in het trekkende deel en T₂ in het slappe deel. Wrijving beperkt de verhouding van de spanningen: T₁/T₂ = eμθ, waarbij θ de omspanningshoek in radialen op de kleinere schijf is; voor een open riem is θ = π − 2·asin((d₂ − d₁)/(2C)) met hartafstand C.
Omspanningshoek
θ = 2,891 rad
Spanning in het slappe deel
eμθ = e1,012 = 2,751, T₂ = 2000/2,751 = 727,1 N
Vermogen
P = (2000 − 727,1)·15,08 = 19,19 kW
Antwoord
P = 19,19 kW
17.Veren en slingers
Antwoord: L = 0,3007 m
Harmonische trilling: een massa m aan een veer met veerconstante k trilt met hoekfrequentie ω = √(k/m) en trillingstijd T = 2π/ω = 2π·√(m/k). Een mathematische slinger met lengte L heeft T = 2π·√(L/g). Bij amplitude A is de grootste snelheid A·ω, de grootste versnelling A·ω² en de energie ½·k·A².
Los de lengte op
L = g·(T/2π)² = 9,81·(1,1/2π)² = 0,3007 m
Antwoord
L = 0,3007 m
18.Veren en slingers
Antwoord: t = 0,2458 s
Simple harmonic motion: a mass m on a spring of stiffness k oscillates with angular frequency ω = √(k/m) and period T = 2π/ω = 2π·√(m/k). A simple pendulum of length L has T = 2π·√(L/g). With amplitude A, the largest speed is A·ω, the largest acceleration A·ω² and the energy ½·k·A².
Hoekfrequentie
ω = 2π/T = 2π/2,4 = 2,618 rad/s
Los op naar de tijd
0,8 = cos(ω·t) → ω·t = arccos(0,8) = 0,6435 rad
t = 0,6435/2,618 = 0,2458 s
Antwoord
t = 0,2458 s
19.Mechanische trillingen
Antwoord: fd = 3,036 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Ongedempte eigenfrequentie
ωn = √(2000/5) = 20 rad/s
fn = 20/(2π) = 3,183 Hz
Gedempte eigenfrequentie
fd = fn·√(1 − ζ²) = 3,183·√(1 − 0,3²) = 3,036 Hz
Antwoord
fd = 3,036 Hz
20.Mechanische trillingen
Antwoord: fn = 2,205 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Vervangende stijfheid
Alleen k1 en k2 staan parallel. Dat paar staat in serie met k3, dus combineer ze via hun omgekeerde.