Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Kinematica
Snelheid
v = v0 + a·t
Verplaatsing
s = v0·t + ½·a·t²
Zonder tijd
v² = v0² + 2·a·s
Eenheden
1 m/s = 3,6 km/h
Methode
Noteer wat je weet: v₀, v, a, t en s, met eenheden.
Kies de vergelijking met je drie bekenden en de onbekende.
Kies één positieve richting en geef tegengestelde grootheden een minteken.
Los op en controleer of het antwoord fysisch zinvol is.
Wetten van Newton
Tweede wet
ΣF = m·a
Gewicht
W = m·g
Kinetische wrijving
Ff = μ·N
Op een helling
langs: m·g·sin θ, loodrecht: m·g·cos θ
Methode
Teken een vrijlichaamsschema met elke kracht op het lichaam.
Kies een positieve richting langs de beweging.
Ontbind krachten in componenten langs en loodrecht op de beweging (op een helling: m·g·sin θ langs, m·g·cos θ de helling in).
Pas ΣF = m·a toe langs de beweging; wrijving is μ·N tegen de beweging in.
Kogelbaan
Componenten
vx = v0cos θ, vy = v0sin θ
Positie
x = vxt, y = h + vyt − ½gt²
Maximale hoogte
H = h + vy²/(2g)
Worpafstand (vlakke grond)
R = v0²·sin 2θ/g
Methode
Ontbind de beginsnelheid in componenten: vx = v₀·cos θ en vy = v₀·sin θ.
De horizontale beweging heeft een constante snelheid; de verticale beweging heeft versnelling −g.
Bepaal de vluchttijd uit de verticale beweging.
Gebruik die tijd in de horizontale beweging om de dracht te vinden.
Cirkelbeweging
Centripetale versnelling
a = v²/r = ω²·r
Centripetale kracht
F = m·v²/r
Hoeksnelheid
ω = v/r = 2π/T
Vlakke bocht, wrijving
vmax = √(μ·g·r)
Arbeid en energie
Kinetische energie
Ek = ½mv²
Potentiële energie
Ep = mgh
Energiebalans
Ek1 + Ep1 + W = Ek2 + Ep2 + losses
Wrijvingsarbeid
W = μ·N·d
Vermogen
P = W/t
Impuls en botsingen
Impuls
p = m·v
Behoud
Σm·v (before) = Σm·v (after)
Volkomen inelastisch
v′ = (m1v1 + m2v2)/(m1 + m2)
Stoot
J = F·Δt = m·Δv
Methode
Kies een positieve richting en geef elke snelheid haar teken.
Schrijf de totale impuls vooraf op: Σm·v.
Bij een volkomen inelastische botsing bewegen de lichamen daarna samen; bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden.
Stel de impuls vooraf gelijk aan de impuls achteraf en los op.
Rotatie van een star lichaam
Traagheidsmomenten om G
staaf mL²/12, schijf ½mR², ring mR², massieve bol (2/5)mR², holle bol (2/3)mR²
Stelling van Steiner
I = IG + m·d²
Traagheidsstraal
I = m·k²
Staaf om zijn uiteinde
I = mL²/3
Bewegingsvergelijking
ΣM = I·α
Snelheid in rad/s
ω = 2π·n/60
Kinetische energie
E = ½·I·ω²
Arbeid en vermogen
W = T·θ, P = T·ω
Rollen zonder slip
v = ω·r, E = ½mv²(1 + I/(mr²)), a = g·sin θ/(1 + I/(mr²))
Impulsmoment
L = I·ω, I1ω1 = I2ω2
Botsing om een draaipunt
m·v·d = I·ω
Methode
Kies de as: een vast draaipunt, of het zwaartepunt bij rollende lichamen.
Bepaal het traagheidsmoment om die as uit de standaardresultaten, met I = IG + m·d² voor een verschoven as.
Kies de methode: ΣM = I·α voor versnellingen en krachten, energie (½·I·ω² + ½·m·v² + m·g·h) voor snelheden, impulsmoment voor botsingen en plotselinge veranderingen.
Verbind lineaire en hoekbeweging met v = ω·r en a = α·r, en reken rpm om naar rad/s.
Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Ingrijpende tandwielen
n1·N1 = n2·N2
Koppel
T2 = T1·(N2/N1)·η
Vermogen
P = T·ω, ω = 2π·n/60
Meertraps overbrenging
totale overbrengingsverhouding = product van de trapverhoudingen
Veren en slingers
Massa aan een veer
T = 2π·√(m/k)
Slinger
T = 2π·√(L/g)
Hoekfrequentie
ω = √(k/m) = 2π/T
Maximale snelheid en versnelling
vmax = A·ω, amax = A·ω²
Energie
E = ½·k·A²
Mechanische trillingen
Eigenfrequentie
ωn = √(k/m), fn = ωn/(2π)
Uit de statische doorbuiging
ωn = √(g/δst)
Kritische demping
cc = 2√(km) = 2mωn
Dempingsverhouding
ζ = c/cc
Gedempte eigenfrequentie
ωd = ωn√(1 − ζ²)
Logaritmisch decrement
δ = (1/n)·ln(x0/xn), ζ = δ/√(4π² + δ²)
Veren parallel
k = k1 + k2
Veren in serie
1/k = 1/k1 + 1/k2
2Oefenopgaven
1.KinematicaGemiddeld
Een vliegtuig heeft 260 km/h nodig om op te stijgen en de bruikbare startbaan is 1700 m lang. Welke constante versnelling a heeft het vanuit stilstand nodig?
v₀ = 0v = 260 km/hs = 1700 m
a = m/s²
2.KinematicaMoeilijk
Bal A wordt vanuit rust losgelaten op een hoogte van 20 m. Op hetzelfde moment wordt bal B recht eronder vanaf de grond recht omhoog gegooid met 20 m/s. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Op welke hoogte y boven de grond ontmoeten ze elkaar?
H = 20 mv0B = 20 m/sg = 9,81 m/s²
y = m
3.Wetten van NewtonGemiddeld
Een blok van 16 kg glijdt een wrijvingsloze helling af die 35° met de horizontaal maakt. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de versnelling a van het blok langs de helling.
m = 16 kgθ = 35°μ = 0g = 9,81 m/s²
a = m/s²
4.Wetten van NewtonMoeilijk
Een blok van 3 kg op een horizontale tafel is via een licht touw over een wrijvingsloze katrol verbonden met een hangende massa van 2,5 kg. De kinetische wrijvingscoëfficiënt tussen blok en tafel is 0,3. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de spankracht T in het touw.
m1 = 3 kgm2 = 2,5 kgμ = 0,3g = 9,81 m/s²
T = N
5.KogelbaanGemiddeld
Een bal wordt vanaf vlakke grond gelanceerd onder 15° boven de horizontaal en landt 10 m verderop. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de beginsnelheid v0.
θ = 15°R = 10 mg = 9,81 m/s²
v0 = m/s
6.KogelbaanMoeilijk
Een bal wordt onder 50° boven de horizontaal vanaf de top van een 5 m hoge klif weggeschoten. Verwaarloos luchtweerstand. Vind de vliegtijd t tot de bal de grond raakt.
v0 = 27 m/sθ = 50°h = 5 mg = 9,81 m/s²
t = s
7.CirkelbewegingGemiddeld
Een auto neemt een vlakke bocht met een straal van 50 m. De statische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,5. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de hoogste snelheid vmax waarmee de auto de bocht kan nemen zonder te slippen.
r = 50 mμs = 0,5g = 9,81 m/s²
vmax = m/s
8.CirkelbewegingMoeilijk
Een bocht met straal 110 m heeft een verkanting van 18°, en de statische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,15. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de hoogste snelheid vmax waarmee een auto de bocht kan nemen zonder naar boven en naar buiten te glijden.
r = 110 mθ = 18°μs = 0,15g = 9,81 m/s²
vmax = m/s
9.Arbeid en energieGemiddeld
Een blok van 2,5 kg glijdt 11 m een helling af onder 20° met de horizontaal, met een kinetische wrijvingscoëfficiënt van 0,25. Vind de arbeid Wf tegen de wrijving.
m = 2,5 kgθ = 20°μ = 0,25d = 11 mg = 9,81 m/s²
Wf = J
10.Arbeid en energieMoeilijk
Een karretje van 10 kg wordt vanuit rust losgelaten op een hoogte van 6,4 m op een gladde baan die uitkomt in een verticale looping met straal 2 m. Vind de normaalkracht N die de baan bovenaan de looping op het karretje uitoefent.
m = 10 kgh = 6,4 mR = 2 mg = 9,81 m/s²
N = N
11.Impuls en botsingenGemiddeld
Een karretje van 1,5 kg dat met 7 m/s rijdt, botst volkomen elastisch en frontaal op een stilstaand karretje van 4 kg op een wrijvingsloze baan. Bereken de snelheid v′2 van het tweede karretje na de botsing.
m1 = 1,5 kgm2 = 4 kgv1 = 7 m/sv2 = 0
v′2 = m/s
12.Impuls en botsingenMoeilijk
Een bal van 0,15 kg raakt een muur met 26 m/s en kaatst recht terug met 19 m/s. Het contact duurt 10 ms. Bereken de grootte van de stoot J die de muur aan de bal geeft.
m = 0,15 kgvin = 26 m/svout = 19 m/sΔt = 10 ms
J = N·s
13.Rotatie van een star lichaamGemiddeld
Een homogene slanke staaf met massa 3,5 kg en lengte 2,6 m is aan één uiteinde scharnierend bevestigd en wordt horizontaal vastgehouden. Hij wordt vanuit rust losgelaten. Gebruik g = 9,81 m/s². Bepaal de verticale kracht R die het scharnier vlak na het loslaten op de staaf uitoefent.
m = 3,5 kgL = 2,6 mg = 9,81 m/s²
R = N
14.Rotatie van een star lichaamMoeilijk
Een holle bol met massa 13 kg rolt zonder slip met 4,5 m/s. Welk percentage p van zijn totale kinetische energie is rotatie-energie?
m = 13 kgv = 4,5 m/sI = (2/3)·m·r²
p = %
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingenGemiddeld
Een schijf van 120 mm met 720 rpm drijft via een riem met 2 % slip een schijf van 450 mm aan. Bepaal het toerental n2 van de aangedreven schijf.
n1 = 720 rpmd1 = 120 mmd2 = 450 mms = 2 %
n2 = rpm
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingenMoeilijk
In een planetaire tandwielset heeft het zonnewiel 20 tanden en elk planeetwiel 20 tanden. De planeetdrager wordt vastgehouden en het zonnewiel wordt aangedreven met 900 rpm. Vind het toerental nr van het ringwiel (grootte).
Ns = 20Np = 20ns = 900 rpm
nr = rpm
17.Veren en slingersGemiddeld
Een mathematische slinger heeft een lengte van 0,2 m. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de slingertijd T bij kleine uitwijkingen.
L = 0,2 mg = 9,81 m/s²
T = s
18.Veren en slingersMoeilijk
Een kogel van 10 g die met 500 m/s beweegt, treft een blok van 1 kg dat op een wrijvingsloos oppervlak ligt en blijft erin steken. Het blok is bevestigd aan een horizontale veer met k = 200 N/m. Vind de amplitude A van de trilling die ontstaat, in cm.
m = 10 gv = 500 m/sM = 1 kgk = 200 N/m
A = cm
19.Mechanische trillingenGemiddeld
Een massa van 50 kg aan een veer met een stijfheid van 50 kN/m heeft een viskeuze demper die een dempingsverhouding van 0,3 geeft. Vind de gedempte eigenfrequentie fd van de vrije trilling in Hz.
m = 50 kgk = 50 kN/mζ = 0,3
fd = Hz
20.Mechanische trillingenMoeilijk
Een massa van 40 kg hangt aan veer k₃ = 100 kN/m. De bovenkant van k₃ zit vast aan een starre balk die aan twee veren naast elkaar hangt, k₁ = 20 kN/m en k₂ = 5 kN/m; de balk blijft horizontaal. Verwaarloos demping en de massa’s van de veren en de balk. Vind de eigenfrequentie fn van de verticale trilling in Hz.
m = 40 kgk1 = 20 kN/mk2 = 5 kN/mk3 = 100 kN/m
fn = Hz
3Oplossingen
1.Kinematica
Antwoord: a = 1,534 m/s²
Motion with constant acceleration: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² and v² = v₀² + 2·a·s. Pick the equation that contains the three things you know and the one you want, and keep the signs consistent with one positive direction.
Eenheden
v = 260/3,6 = 72,22 m/s
Versnelling
a = v²/(2s) = 72,22²/(2·1700) = 1,534 m/s²
Antwoord
a = 1,534 m/s²
2.Kinematica
Antwoord: y = 15,09 m
Motion with constant acceleration: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² and v² = v₀² + 2·a·s. Pick the equation that contains the three things you know and the one you want, and keep the signs consistent with one positive direction.
Ontmoetingstijd
Omhoog is positief, de grond is y = 0.
20 − ½g·t² = 20·t − ½g·t² → t = 20/20 = 1 s
Ontmoetingshoogte
y = 20·1 − ½·9,81·1² = 15,09 m
Antwoord
y = 15,09 m
3.Wetten van Newton
Antwoord: a = 5,627 m/s²
Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.
Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.
Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.
Los de formule voor de worpafstand op naar v₀
v₀ = √(g·R/sin 2θ) = √(9,81·10/sin 30°) = 14,01 m/s
Antwoord
v0 = 14,01 m/s
6.Kogelbaan
Antwoord: t = 4,446 s
Kogelbaan: zonder luchtweerstand geldt x = vxt en y = h + vyt − ½gt². De twee richtingen zijn onafhankelijk, behalve dat ze dezelfde tijd delen.
Ontbind de beginsnelheid
De horizontale snelheid blijft constant; de verticale beweging heeft een constante versnelling g = 9,81 m/s² omlaag.
vx = v0·cos θ = 27·cos 50° = 17,36 m/s
vy = v0·sin θ = 27·sin 50° = 20,68 m/s
Vliegtijd
Los y(t) = h + vy·t − ½gt² = 0 op voor de positieve wortel.
0 = 5 + 20,68·t − 4,905·t²
t = (vy + √(vy² + 2gh))/g = (20,68 + √(427,8 + 98,1))/9,81 = 4,446 s
Antwoord
t = 4,446 s
7.Cirkelbeweging
Antwoord: vmax = 15,66 m/s
Eenparige cirkelbeweging: een voorwerp dat met snelheid v over een cirkel met straal r beweegt, versnelt naar het middelpunt met a = v²/r, dus het heeft een resulterende kracht naar binnen nodig: F = m·v²/r. Die kracht wordt geleverd door iets echts: wrijving, spankracht, zwaartekracht of een normaalkracht.
Wrijving levert de centripetale kracht
m·v²/r = μ·m·g
v = √(μ·g·r) = √(0,5·9,81·50) = 15,66 m/s
Antwoord
vmax = 15,66 m/s (56,38 km/h)
8.Cirkelbeweging
Antwoord: vmax = 23,21 m/s
Uniform circular motion: an object moving at speed v on a circle of radius r accelerates towards the centre with a = v²/r, so it needs a net inward force F = m·v²/r. That force is supplied by something real: friction, tension, gravity or a normal force.
Krachtenevenwichten
De wrijving wijst de helling af.
N·(sin θ + μ·cos θ) = m·v²/r
N·(cos θ − μ·sin θ) = m·g
Snelheid
v = √(110·9,81·0,4517/0,9047) = 23,21 m/s
Antwoord
vmax = 23,21 m/s
(83,56 km/h)
9.Arbeid en energie
Antwoord: Wf = 63,38 J
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Wrijvingskracht
N = mg·cos θ = 24,53·0,9397 = 23,05 N
F = μN = 0,25·23,05 = 5,761 N
Arbeid tegen de wrijving
Wf = F·d = 5,761·11 = 63,38 J
Antwoord
Wf = 63,38 J
10.Arbeid en energie
Antwoord: N = 137,3 N
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d). Op een cirkelbaan moet de nettokracht naar het middelpunt gelijk zijn aan mv²/r.
Snelheid bovenaan
v² = 2g(h − 2R) = 2·9,81·(6,4 − 4) = 47,09 m²/s²
Krachten bovenaan
m·g = 10·9,81 = 98,1 N
N = mv²/R − mg = 10·47,09/2 − 98,1 = 137,3 N
Antwoord
N = 137,3 N
Het karretje komt er net rond als h = 2,5R; dan is N = 0 bovenaan.
11.Impuls en botsingen
Antwoord: v′2 = 3,818 m/s
Behoud van impuls: als er tijdens een botsing geen externe kracht werkt, is de totale impuls Σm·v vóór de botsing gelijk aan die erna. Snelheden hebben een richting, dus kies een positieve richting en geef snelheden in de andere richting een minteken. Bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden; bij een volkomen inelastische botsing blijven de lichamen aan elkaar vast zitten.
Elastische botsing met een stilstaand doel
Behoud van impuls en energie samen oplossen geeft deze twee resultaten.
v′1 = (1,5 − 4)/(1,5 + 4)·7 = −3,182 m/s
v′2 = 2·1,5/(1,5 + 4)·7 = 3,818 m/s
Antwoord
v′2 = 3,818 m/s
12.Impuls en botsingen
Antwoord: J = 6,75 N·s
Behoud van impuls: als er tijdens een botsing geen externe kracht werkt, is de totale impuls Σm·v vóór de botsing gelijk aan die erna. Snelheden hebben een richting, dus kies een positieve richting en geef snelheden in de andere richting een minteken. Bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden; bij een volkomen inelastische botsing blijven de lichamen aan elkaar vast zitten.
Verandering van de impuls
J = m·Δv = 0,15·(19 + 26) = 6,75 N·s
Antwoord
J = 6,75 N·s
13.Rotatie van een star lichaam
Antwoord: R = 8,584 N
Rotation about a fixed axis: the sum of the moments about the axis equals I·α (ΣM = I·α), just as ΣF = m·a for translation. In energy form, a torque T turning through an angle θ (in radians) does work T·θ, which changes the kinetic energy ½·I·ω²; gravity adds or removes m·g·Δh of the centre of mass. Power is P = T·ω.
Momenten om het scharnier
Op het moment van loslaten is ω = 0, dus er is geen middelpuntzoekende versnelling en het midden versnelt recht naar beneden.
Rolling and angular momentum: a body rolling without slipping has v = ω·r, so its kinetic energy is ½·m·v² + ½·I·ω² = ½·m·v²·(1 + I/(m·r²)). Down a slope that gives a = g·sin θ/(1 + I/(m·r²)). When no external moment acts about an axis, the angular momentum about that axis stays constant, I₁·ω₁ = I₂·ω₂, even if kinetic energy is lost.
Het aandeel hangt alleen van de vorm af, niet van de massa of de snelheid.
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: n2 = 188,2 rpm
Riemaandrijvingen: zonder slip hebben beide schijven dezelfde omtreksnelheid v = π·d·n/60, dus n₁·d₁ = n₂·d₂ en de overbrengingsverhouding is d₂/d₁. Slip s maakt de aangedreven schijf iets langzamer: n₂ = n₁·(d₁/d₂)·(1 − s). Het overgebrachte vermogen is P = (T₁ − T₂)·v, met T₁ de spanning in het trekkende deel en T₂ in het slappe deel. Wrijving beperkt de verhouding van de spanningen: T₁/T₂ = eμθ, waarbij θ de omspanningshoek in radialen op de kleinere schijf is; voor een open riem is θ = π − 2·asin((d₂ − d₁)/(2C)) met hartafstand C.
Toerental zonder slip
720·120/450 = 192 rpm
Met slip
n2 = 192·0,98 = 188,2 rpm
Antwoord
n2 = 188,2 rpm
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: nr = 300 rpm
Planetaire tandwielsets: de toerentallen van zonnewiel, ringwiel en planeetdrager hangen samen via de vergelijking van Willis (ns − nc)/(nr − nc) = −Nr/Ns: gezien vanaf de planeetdrager is de set een gewone overbrenging met de planeetwielen als tussenwielen. Als je één deel vastzet, wordt de set een vertraging met één vaste verhouding.
Tanden van het ringwiel
Nr = Ns + 2·Np = 20 + 2·20 = 60
Vergelijking van Willis met vaste planeetdrager
Met nc = 0 drijft het zonnewiel het ringwiel aan via de planeetwielen, die als tussenwielen werken.
nr = −ns·Ns/Nr = −900·20/60 = −300 rpm
|nr| = 300 rpm
Antwoord
nr = 300 rpm
Het ringwiel draait tegengesteld aan het zonnewiel.
17.Veren en slingers
Antwoord: T = 0,8971 s
Harmonische trilling: een massa m aan een veer met veerconstante k trilt met hoekfrequentie ω = √(k/m) en trillingstijd T = 2π/ω = 2π·√(m/k). Een mathematische slinger met lengte L heeft T = 2π·√(L/g). Bij amplitude A is de grootste snelheid A·ω, de grootste versnelling A·ω² en de energie ½·k·A².
Slingertijd
T = 2π·√(0,2/9,81) = 0,8971 s
Antwoord
T = 0,8971 s
18.Veren en slingers
Antwoord: A = 35,18 cm
Simple harmonic motion: a mass m on a spring of stiffness k oscillates with angular frequency ω = √(k/m) and period T = 2π/ω = 2π·√(m/k). A simple pendulum of length L has T = 2π·√(L/g). With amplitude A, the largest speed is A·ω, the largest acceleration A·ω² and the energy ½·k·A².
Snelheid na de inslag
V = m·v/(m + M) = 0,01·500/1,01 = 4,95 m/s
Hoekfrequentie
ω = √(k/(m + M)) = √(200/1,01) = 14,07 rad/s
Amplitude
A = V/ω = 4,95/14,07 = 0,3518 m = 35,18 cm
Antwoord
A = 35,18 cm
19.Mechanische trillingen
Antwoord: fd = 4,801 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Ongedempte eigenfrequentie
ωn = √(50000/50) = 31,62 rad/s
fn = 31,62/(2π) = 5,033 Hz
Gedempte eigenfrequentie
fd = fn·√(1 − ζ²) = 5,033·√(1 − 0,3²) = 4,801 Hz
Antwoord
fd = 4,801 Hz
20.Mechanische trillingen
Antwoord: fn = 3,559 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Vervangende stijfheid
Alleen k1 en k2 staan parallel. Dat paar staat in serie met k3, dus combineer ze via hun omgekeerde.