Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Kinematica
Snelheid
v = v0 + a·t
Verplaatsing
s = v0·t + ½·a·t²
Zonder tijd
v² = v0² + 2·a·s
Eenheden
1 m/s = 3,6 km/h
Methode
Noteer wat je weet: v₀, v, a, t en s, met eenheden.
Kies de vergelijking met je drie bekenden en de onbekende.
Kies één positieve richting en geef tegengestelde grootheden een minteken.
Los op en controleer of het antwoord fysisch zinvol is.
Wetten van Newton
Tweede wet
ΣF = m·a
Gewicht
W = m·g
Kinetische wrijving
Ff = μ·N
Op een helling
langs: m·g·sin θ, loodrecht: m·g·cos θ
Methode
Teken een vrijlichaamsschema met elke kracht op het lichaam.
Kies een positieve richting langs de beweging.
Ontbind krachten in componenten langs en loodrecht op de beweging (op een helling: m·g·sin θ langs, m·g·cos θ de helling in).
Pas ΣF = m·a toe langs de beweging; wrijving is μ·N tegen de beweging in.
Kogelbaan
Componenten
vx = v0cos θ, vy = v0sin θ
Positie
x = vxt, y = h + vyt − ½gt²
Maximale hoogte
H = h + vy²/(2g)
Worpafstand (vlakke grond)
R = v0²·sin 2θ/g
Methode
Ontbind de beginsnelheid in componenten: vx = v₀·cos θ en vy = v₀·sin θ.
De horizontale beweging heeft een constante snelheid; de verticale beweging heeft versnelling −g.
Bepaal de vluchttijd uit de verticale beweging.
Gebruik die tijd in de horizontale beweging om de dracht te vinden.
Cirkelbeweging
Centripetale versnelling
a = v²/r = ω²·r
Centripetale kracht
F = m·v²/r
Hoeksnelheid
ω = v/r = 2π/T
Vlakke bocht, wrijving
vmax = √(μ·g·r)
Arbeid en energie
Kinetische energie
Ek = ½mv²
Potentiële energie
Ep = mgh
Energiebalans
Ek1 + Ep1 + W = Ek2 + Ep2 + losses
Wrijvingsarbeid
W = μ·N·d
Vermogen
P = W/t
Impuls en botsingen
Impuls
p = m·v
Behoud
Σm·v (before) = Σm·v (after)
Volkomen inelastisch
v′ = (m1v1 + m2v2)/(m1 + m2)
Stoot
J = F·Δt = m·Δv
Methode
Kies een positieve richting en geef elke snelheid haar teken.
Schrijf de totale impuls vooraf op: Σm·v.
Bij een volkomen inelastische botsing bewegen de lichamen daarna samen; bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden.
Stel de impuls vooraf gelijk aan de impuls achteraf en los op.
Rotatie van een star lichaam
Traagheidsmomenten om G
staaf mL²/12, schijf ½mR², ring mR², massieve bol (2/5)mR², holle bol (2/3)mR²
Stelling van Steiner
I = IG + m·d²
Traagheidsstraal
I = m·k²
Staaf om zijn uiteinde
I = mL²/3
Bewegingsvergelijking
ΣM = I·α
Snelheid in rad/s
ω = 2π·n/60
Kinetische energie
E = ½·I·ω²
Arbeid en vermogen
W = T·θ, P = T·ω
Rollen zonder slip
v = ω·r, E = ½mv²(1 + I/(mr²)), a = g·sin θ/(1 + I/(mr²))
Impulsmoment
L = I·ω, I1ω1 = I2ω2
Botsing om een draaipunt
m·v·d = I·ω
Methode
Kies de as: een vast draaipunt, of het zwaartepunt bij rollende lichamen.
Bepaal het traagheidsmoment om die as uit de standaardresultaten, met I = IG + m·d² voor een verschoven as.
Kies de methode: ΣM = I·α voor versnellingen en krachten, energie (½·I·ω² + ½·m·v² + m·g·h) voor snelheden, impulsmoment voor botsingen en plotselinge veranderingen.
Verbind lineaire en hoekbeweging met v = ω·r en a = α·r, en reken rpm om naar rad/s.
Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Ingrijpende tandwielen
n1·N1 = n2·N2
Koppel
T2 = T1·(N2/N1)·η
Vermogen
P = T·ω, ω = 2π·n/60
Meertraps overbrenging
totale overbrengingsverhouding = product van de trapverhoudingen
Veren en slingers
Massa aan een veer
T = 2π·√(m/k)
Slinger
T = 2π·√(L/g)
Hoekfrequentie
ω = √(k/m) = 2π/T
Maximale snelheid en versnelling
vmax = A·ω, amax = A·ω²
Energie
E = ½·k·A²
Mechanische trillingen
Eigenfrequentie
ωn = √(k/m), fn = ωn/(2π)
Uit de statische doorbuiging
ωn = √(g/δst)
Kritische demping
cc = 2√(km) = 2mωn
Dempingsverhouding
ζ = c/cc
Gedempte eigenfrequentie
ωd = ωn√(1 − ζ²)
Logaritmisch decrement
δ = (1/n)·ln(x0/xn), ζ = δ/√(4π² + δ²)
Veren parallel
k = k1 + k2
Veren in serie
1/k = 1/k1 + 1/k2
2Oefenopgaven
1.KinematicaGemiddeld
Een auto die te hard rijdt met een constante 31 m/s, passeert een stilstaande politieauto. Op dat moment vertrekt de politieauto en versnelt eenparig met 3 m/s². Hoe lang duurt het voordat de politieauto de auto inhaalt? Vind t.
vcar = 31 m/sapolice = 3 m/s²v0,police = 0
t = s
2.KinematicaMoeilijk
Een bal wordt met 11 m/s recht omhoog gegooid vanaf de rand van een dak 25 m boven de grond. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de grootste hoogte hmax boven de grond.
v₀ = 11 m/sh₀ = 25 mg = 9,81 m/s²
hmax = m
3.Wetten van NewtonGemiddeld
Massa’s van 6,5 kg en 3 kg hangen aan weerszijden van een lichte, wrijvingsloze katrol, verbonden door een licht touw. Het systeem wordt vanuit rust losgelaten. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de spankracht T in het touw.
m1 = 6,5 kgm2 = 3 kgg = 9,81 m/s²
T = N
4.Wetten van NewtonMoeilijk
Twee blokken op een horizontale vloer zijn verbonden door een licht horizontaal touw. Een horizontale kracht van 90 N trekt aan het voorste blok van 11 kg; het blok van 10 kg wordt erachter meegesleept. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is voor beide blokken 0,3. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de versnelling a van de blokken.
m1 = 10 kgm2 = 11 kgF = 90 Nμ = 0,3g = 9,81 m/s²
a = m/s²
5.KogelbaanGemiddeld
Een bal wordt vanaf vlakke grond gelanceerd met 36 m/s en moet 60 m verderop landen. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de kleinste van de twee mogelijke elevatiehoeken θ.
v₀ = 36 m/sR = 60 mg = 9,81 m/s²
θ = °
6.KogelbaanMoeilijk
Een bal wordt onder 25° boven de horizontaal vanaf de top van een 40 m hoge klif weggeschoten. Verwaarloos luchtweerstand. Vind de horizontale afstand x die de bal aflegt voordat hij de grond raakt.
v0 = 35 m/sθ = 25°h = 40 mg = 9,81 m/s²
x = m
7.CirkelbewegingGemiddeld
Een auto neemt een vlakke bocht met een straal van 130 m. De statische wrijvingscoëfficiënt tussen banden en weg is 0,4. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de hoogste snelheid vmax waarmee de auto de bocht kan nemen zonder te slippen.
r = 130 mμs = 0,4g = 9,81 m/s²
vmax = m/s
8.CirkelbewegingMoeilijk
Een bal van 1,7 kg aan een touw van 0,7 m wordt rondgeslingerd in een verticale cirkel. In het laagste punt beweegt hij met 5 m/s. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de spankracht T in het touw in het laagste punt.
m = 1,7 kgr = 0,7 mv = 5 m/sg = 9,81 m/s²
T = N
9.Arbeid en energieGemiddeld
Een blok van 2,5 kg glijdt 4 m een helling af onder 30° met de horizontaal, met een kinetische wrijvingscoëfficiënt van 0,3. Vind de arbeid Wf tegen de wrijving.
m = 2,5 kgθ = 30°μ = 0,3d = 4 mg = 9,81 m/s²
Wf = J
10.Arbeid en energieMoeilijk
Een blok van 0,5 kg wordt vanuit rust losgelaten op hoogte 5 m op een gladde helling. Onderaan steekt het een ruwe horizontale strook van 1,5 m over (μ = 0,3) en loopt daarna tegen een veer (k = 2500 N/m) op een glad oppervlak. Vind de maximale indrukking x van de veer.
m = 0,5 kgh = 5 mL = 1,5 mμ = 0,3k = 2500 N/mg = 9,81 m/s²
x = cm
11.Impuls en botsingenGemiddeld
Een projectiel van 4 kg dat horizontaal met 30 m/s beweegt, explodeert in twee brokstukken die langs dezelfde lijn bewegen. Het brokstuk van 3 kg gaat met 89 m/s vooruit. Vind de snelheid v′2 van het brokstuk van 1 kg (positief in de oorspronkelijke richting).
M = 4 kgu = 30 m/sm1 = 3 kgv′1 = 89 m/sm2 = 1 kg
v′2 = m/s
12.Impuls en botsingenMoeilijk
Een kogel van 10 g wordt horizontaal afgevuurd in een blok van 2 kg dat aan lichte touwtjes van 1,7 m lang hangt, en blijft erin steken. De touwtjes zwaaien uit tot een grootste hoek van 10° met de verticaal. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de snelheid v van de kogel vóór de inslag.
m = 10 gM = 2 kgL = 1,7 mθ = 10°g = 9,81 m/s²
v = m/s
13.Rotatie van een star lichaamGemiddeld
Een vliegwiel met een traagheidsmoment van 35 kg·m² draait met 2600 rpm. Een rem oefent een constant wrijvingskoppel van 70 N·m uit. Hoeveel omwentelingen N maakt het vliegwiel voordat het stilstaat?
I = 35 kg·m²n = 2600 rpmTb = 70 N·m
N = rev
14.Rotatie van een star lichaamMoeilijk
Een holle bol begint vanuit rust en rolt zonder slip van een helling die 25° met het horizontale vlak maakt. Gebruik g = 9,81 m/s². Bepaal zijn snelheid v nadat hij 5,5 m langs de helling is gerold.
θ = 25°s = 5,5 mI = (2/3)·m·r²g = 9,81 m/s²
v = m/s
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingenGemiddeld
Een schijf van 200 mm met 720 rpm drijft via een riem met 3 % slip een schijf van 315 mm aan. Bepaal het toerental n2 van de aangedreven schijf.
n1 = 720 rpmd1 = 200 mmd2 = 315 mms = 3 %
n2 = rpm
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingenMoeilijk
Een open riem verbindt een schijf van 200 mm en een schijf van 450 mm waarvan de hartafstand 600 mm is. Bepaal de omspanningshoek θ op de kleinere schijf, in graden.
d1 = 200 mmd2 = 450 mmC = 600 mm
θ = °
17.Veren en slingersGemiddeld
Een massa van 2,1 kg aan een veer met k = 130 N/m trilt op een wrijvingsloos oppervlak met een amplitude van 16 cm. Vind de snelheid v als de massa 4 cm van de evenwichtsstand is.
m = 2,1 kgk = 130 N/mA = 16 cmx = 4 cm
v = m/s
18.Veren en slingersMoeilijk
Een voorwerp voert een harmonische trilling uit met trillingstijd 3,6 s en amplitude 17 cm. Wat is de kortste tijd t die het nodig heeft om van zijn maximale uitwijking van 17 cm naar een uitwijking van 4,25 cm te gaan?
T = 3,6 sA = 17 cmx = 4,25 cm
t = s
19.Mechanische trillingenGemiddeld
Een massa van 250 kg aan een veer met een stijfheid van 40 kN/m heeft een viskeuze demper die een dempingsverhouding van 0,6 geeft. Vind de gedempte eigenfrequentie fd van de vrije trilling in Hz.
m = 250 kgk = 40 kN/mζ = 0,6
fd = Hz
20.Mechanische trillingenMoeilijk
Een massa van 40 kg hangt aan veer k₃ = 15 kN/m. De bovenkant van k₃ zit vast aan een starre balk die aan twee veren naast elkaar hangt, k₁ = 100 kN/m en k₂ = 60 kN/m; de balk blijft horizontaal. Verwaarloos demping en de massa’s van de veren en de balk. Vind de eigenfrequentie fn van de verticale trilling in Hz.
m = 40 kgk1 = 100 kN/mk2 = 60 kN/mk3 = 15 kN/m
fn = Hz
3Oplossingen
1.Kinematica
Antwoord: t = 20,67 s
Motion with constant acceleration: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² and v² = v₀² + 2·a·s. Pick the equation that contains the three things you know and the one you want, and keep the signs consistent with one positive direction.
Gelijke afstanden
v·t = ½·a·t² → t = 2v/a = 2·31/3 = 20,67 s
Antwoord
t = 20,67 s
Op dat moment rijdt de politieauto met 2v = 62 m/s.
2.Kinematica
Antwoord: hmax = 31,17 m
Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.
Stijging boven het dak
0 = v₀² − 2·g·Δh → Δh = 11²/(2·9,81) = 6,167 m
Hoogte boven de grond
hmax = 25 + 6,167 = 31,17 m
Antwoord
hmax = 31,17 m
3.Wetten van Newton
Antwoord: T = 40,27 N
Newton’s second law: the net force on a body equals its mass times its acceleration, ΣF = m·a. Draw a free-body diagram, choose a positive direction along the motion, and add every force in that direction: applied forces, friction μ·N against the motion, and the components of gravity.
Versnelling
De netto aandrijvende kracht is het verschil van de gewichten; die beweegt de totale massa.
a = (6,5 − 3)·9,81/(6,5 + 3) = 3,614 m/s²
Spankracht uit de lichtere massa
T − m2·g = m2·a → T = 3·(9,81 + 3,614) = 40,27 N
Antwoord
T = 40,27 N
4.Wetten van Newton
Antwoord: a = 1,343 m/s²
Newton’s second law: the net force on a body equals its mass times its acceleration, ΣF = m·a. Draw a free-body diagram, choose a positive direction along the motion, and add every force in that direction: applied forces, friction μ·N against the motion, and the components of gravity.
Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.
Formule voor de worpafstand
R = v₀²·sin 2θ/g → sin 2θ = 9,81·60/36² = 0,4542
Hoek
2θ = 27,01° → θ = 13,51°
Antwoord
θ = 13,51°
De andere oplossing is 90° − θ = 76,49°.
6.Kogelbaan
Antwoord: x = 150,3 m
Kogelbaan: zonder luchtweerstand geldt x = vxt en y = h + vyt − ½gt². De twee richtingen zijn onafhankelijk, behalve dat ze dezelfde tijd delen.
Ontbind de beginsnelheid
De horizontale snelheid blijft constant; de verticale beweging heeft een constante versnelling g = 9,81 m/s² omlaag.
vx = v0·cos θ = 35·cos 25° = 31,72 m/s
vy = v0·sin θ = 35·sin 25° = 14,79 m/s
Vliegtijd
Los y(t) = h + vy·t − ½gt² = 0 op voor de positieve wortel.
0 = 40 + 14,79·t − 4,905·t²
t = (vy + √(vy² + 2gh))/g = (14,79 + √(218,8 + 784,8))/9,81 = 4,737 s
Horizontale afstand
x = vx·t = 31,72·4,737 = 150,3 m
Antwoord
x = 150,3 m
7.Cirkelbeweging
Antwoord: vmax = 22,59 m/s
Eenparige cirkelbeweging: een voorwerp dat met snelheid v over een cirkel met straal r beweegt, versnelt naar het middelpunt met a = v²/r, dus het heeft een resulterende kracht naar binnen nodig: F = m·v²/r. Die kracht wordt geleverd door iets echts: wrijving, spankracht, zwaartekracht of een normaalkracht.
Wrijving levert de centripetale kracht
m·v²/r = μ·m·g
v = √(μ·g·r) = √(0,4·9,81·130) = 22,59 m/s
Antwoord
vmax = 22,59 m/s (81,31 km/h)
8.Cirkelbeweging
Antwoord: T = 77,39 N
Eenparige cirkelbeweging: een voorwerp dat met snelheid v over een cirkel met straal r beweegt, versnelt naar het middelpunt met a = v²/r, dus het heeft een resulterende kracht naar binnen nodig: F = m·v²/r. Die kracht wordt geleverd door iets echts: wrijving, spankracht, zwaartekracht of een normaalkracht.
Krachten in het laagste punt
Naar het middelpunt (omhoog) is positief.
T − m·g = m·v²/r
T = 1,7·9,81 + 1,7·5²/0,7 = 16,68 + 60,71 = 77,39 N
Antwoord
T = 77,39 N
9.Arbeid en energie
Antwoord: Wf = 25,49 J
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Wrijvingskracht
N = mg·cos θ = 24,53·0,866 = 21,24 N
F = μN = 0,3·21,24 = 6,372 N
Arbeid tegen de wrijving
Wf = F·d = 6,372·4 = 25,49 J
Antwoord
Wf = 25,49 J
10.Arbeid en energie
Antwoord: x = 13,36 cm
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Overgebleven energie na de ruwe strook
De helling is glad, dus alleen de strook neemt energie weg.
mgh − μmgL = 4,905·(5 − 0,3·1,5) = 22,32 J
Maximale indrukking
½kx² = 22,32 → x = √(2·22,32/2500) = 0,1336 m = 13,36 cm
Antwoord
x = 13,36 cm
11.Impuls en botsingen
Antwoord: v′2 = −147 m/s
Conservation of momentum: when no external force acts during a collision, the total momentum Σm·v before equals the total after. Velocities have a direction, so pick a positive direction and give velocities the other way a minus sign. In an elastic collision kinetic energy is conserved too; in a perfectly inelastic one the bodies stick together.
Impuls vooraf
p = M·u = 4·30 = 120 kg·m/s
Impuls achteraf
120 = 3·89 + 1·v′2
v′2 = (120 − 267)/1 = −147 m/s
Antwoord
v′2 = −147 m/s
Het minteken betekent dat het tweede brokstuk naar achteren vliegt.
12.Impuls en botsingen
Antwoord: v = 143,1 m/s
Conservation of momentum: when no external force acts during a collision, the total momentum Σm·v before equals the total after. Velocities have a direction, so pick a positive direction and give velocities the other way a minus sign. In an elastic collision kinetic energy is conserved too; in a perfectly inelastic one the bodies stick together.
Stijging van het blok
h = L·(1 − cos θ) = 1,7·(1 − cos 10°) = 0,02583 m
Snelheid na de inslag
V = √(2·9,81·0,02583) = 0,7118 m/s
Botsing
v = (m + M)·V/m = 2,01·0,7118/0,01 = 143,1 m/s
Antwoord
v = 143,1 m/s
13.Rotatie van een star lichaam
Antwoord: N = 2950 rev
Rotation about a fixed axis: the sum of the moments about the axis equals I·α (ΣM = I·α), just as ΣF = m·a for translation. In energy form, a torque T turning through an angle θ (in radians) does work T·θ, which changes the kinetic energy ½·I·ω²; gravity adds or removes m·g·Δh of the centre of mass. Power is P = T·ω.
Hoeksnelheid
ω = 2π·2600/60 = 272,3 rad/s
De arbeid van de rem is gelijk aan de kinetische energie
½·I·ω² = ½·35·272,3² = 1,297 × 10⁶ J
θ = 1,297 × 10⁶/70 = 18533 rad
Omwentelingen
N = θ/2π = 2950 rev
Antwoord
N = 2950 rev
14.Rotatie van een star lichaam
Antwoord: v = 5,231 m/s
Rolling and angular momentum: a body rolling without slipping has v = ω·r, so its kinetic energy is ½·m·v² + ½·I·ω² = ½·m·v²·(1 + I/(m·r²)). Down a slope that gives a = g·sin θ/(1 + I/(m·r²)). When no external moment acts about an axis, the angular momentum about that axis stays constant, I₁·ω₁ = I₂·ω₂, even if kinetic energy is lost.
Gezakte hoogte
h = s·sin θ = 5,5·sin 25° = 2,324 m
Energiebalans bij rollen
Rollen zonder slip: ω = v/r, en wrijving verricht geen arbeid in het contactpunt.
m·g·h = ½·m·v²·(1 + 0,6667)
v = √(2·9,81·2,324/1,667) = 5,231 m/s
Antwoord
v = 5,231 m/s
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: n2 = 443,4 rpm
Riemaandrijvingen: zonder slip hebben beide schijven dezelfde omtreksnelheid v = π·d·n/60, dus n₁·d₁ = n₂·d₂ en de overbrengingsverhouding is d₂/d₁. Slip s maakt de aangedreven schijf iets langzamer: n₂ = n₁·(d₁/d₂)·(1 − s). Het overgebrachte vermogen is P = (T₁ − T₂)·v, met T₁ de spanning in het trekkende deel en T₂ in het slappe deel. Wrijving beperkt de verhouding van de spanningen: T₁/T₂ = eμθ, waarbij θ de omspanningshoek in radialen op de kleinere schijf is; voor een open riem is θ = π − 2·asin((d₂ − d₁)/(2C)) met hartafstand C.
Toerental zonder slip
720·200/315 = 457,1 rpm
Met slip
n2 = 457,1·0,97 = 443,4 rpm
Antwoord
n2 = 443,4 rpm
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: θ = 156 °
Riemaandrijvingen: zonder slip hebben beide schijven dezelfde omtreksnelheid v = π·d·n/60, dus n₁·d₁ = n₂·d₂ en de overbrengingsverhouding is d₂/d₁. Slip s maakt de aangedreven schijf iets langzamer: n₂ = n₁·(d₁/d₂)·(1 − s). Het overgebrachte vermogen is P = (T₁ − T₂)·v, met T₁ de spanning in het trekkende deel en T₂ in het slappe deel. Wrijving beperkt de verhouding van de spanningen: T₁/T₂ = eμθ, waarbij θ de omspanningshoek in radialen op de kleinere schijf is; voor een open riem is θ = π − 2·asin((d₂ − d₁)/(2C)) met hartafstand C.
Riemhoek
asin(0,2083) = 12,02°
Omspanningshoek
θ = 180 − 2·12,02 = 156°
Antwoord
θ = 156°
17.Veren en slingers
Antwoord: v = 1,219 m/s
Simple harmonic motion: a mass m on a spring of stiffness k oscillates with angular frequency ω = √(k/m) and period T = 2π/ω = 2π·√(m/k). A simple pendulum of length L has T = 2π·√(L/g). With amplitude A, the largest speed is A·ω, the largest acceleration A·ω² and the energy ½·k·A².
Hoekfrequentie
ω = √(130/2,1) = 7,868 rad/s
Snelheid bij x
v = ω·√(A² − x²) = 7,868·√(0,16² − 0,04²) = 1,219 m/s
Antwoord
v = 1,219 m/s
18.Veren en slingers
Antwoord: t = 0,7552 s
Simple harmonic motion: a mass m on a spring of stiffness k oscillates with angular frequency ω = √(k/m) and period T = 2π/ω = 2π·√(m/k). A simple pendulum of length L has T = 2π·√(L/g). With amplitude A, the largest speed is A·ω, the largest acceleration A·ω² and the energy ½·k·A².
Hoekfrequentie
ω = 2π/T = 2π/3,6 = 1,745 rad/s
Los op naar de tijd
0,25 = cos(ω·t) → ω·t = arccos(0,25) = 1,318 rad
t = 1,318/1,745 = 0,7552 s
Antwoord
t = 0,7552 s
19.Mechanische trillingen
Antwoord: fd = 1,611 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Ongedempte eigenfrequentie
ωn = √(40000/250) = 12,65 rad/s
fn = 12,65/(2π) = 2,013 Hz
Gedempte eigenfrequentie
fd = fn·√(1 − ζ²) = 2,013·√(1 − 0,6²) = 1,611 Hz
Antwoord
fd = 1,611 Hz
20.Mechanische trillingen
Antwoord: fn = 2,947 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Vervangende stijfheid
Alleen k1 en k2 staan parallel. Dat paar staat in serie met k3, dus combineer ze via hun omgekeerde.