Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.
1Formules en methoden
Kinematica
Snelheid
v = v0 + a·t
Verplaatsing
s = v0·t + ½·a·t²
Zonder tijd
v² = v0² + 2·a·s
Eenheden
1 m/s = 3,6 km/h
Methode
Noteer wat je weet: v₀, v, a, t en s, met eenheden.
Kies de vergelijking met je drie bekenden en de onbekende.
Kies één positieve richting en geef tegengestelde grootheden een minteken.
Los op en controleer of het antwoord fysisch zinvol is.
Wetten van Newton
Tweede wet
ΣF = m·a
Gewicht
W = m·g
Kinetische wrijving
Ff = μ·N
Op een helling
langs: m·g·sin θ, loodrecht: m·g·cos θ
Methode
Teken een vrijlichaamsschema met elke kracht op het lichaam.
Kies een positieve richting langs de beweging.
Ontbind krachten in componenten langs en loodrecht op de beweging (op een helling: m·g·sin θ langs, m·g·cos θ de helling in).
Pas ΣF = m·a toe langs de beweging; wrijving is μ·N tegen de beweging in.
Kogelbaan
Componenten
vx = v0cos θ, vy = v0sin θ
Positie
x = vxt, y = h + vyt − ½gt²
Maximale hoogte
H = h + vy²/(2g)
Worpafstand (vlakke grond)
R = v0²·sin 2θ/g
Methode
Ontbind de beginsnelheid in componenten: vx = v₀·cos θ en vy = v₀·sin θ.
De horizontale beweging heeft een constante snelheid; de verticale beweging heeft versnelling −g.
Bepaal de vluchttijd uit de verticale beweging.
Gebruik die tijd in de horizontale beweging om de dracht te vinden.
Cirkelbeweging
Centripetale versnelling
a = v²/r = ω²·r
Centripetale kracht
F = m·v²/r
Hoeksnelheid
ω = v/r = 2π/T
Vlakke bocht, wrijving
vmax = √(μ·g·r)
Arbeid en energie
Kinetische energie
Ek = ½mv²
Potentiële energie
Ep = mgh
Energiebalans
Ek1 + Ep1 + W = Ek2 + Ep2 + losses
Wrijvingsarbeid
W = μ·N·d
Vermogen
P = W/t
Impuls en botsingen
Impuls
p = m·v
Behoud
Σm·v (before) = Σm·v (after)
Volkomen inelastisch
v′ = (m1v1 + m2v2)/(m1 + m2)
Stoot
J = F·Δt = m·Δv
Methode
Kies een positieve richting en geef elke snelheid haar teken.
Schrijf de totale impuls vooraf op: Σm·v.
Bij een volkomen inelastische botsing bewegen de lichamen daarna samen; bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden.
Stel de impuls vooraf gelijk aan de impuls achteraf en los op.
Rotatie van een star lichaam
Traagheidsmomenten om G
staaf mL²/12, schijf ½mR², ring mR², massieve bol (2/5)mR², holle bol (2/3)mR²
Stelling van Steiner
I = IG + m·d²
Traagheidsstraal
I = m·k²
Staaf om zijn uiteinde
I = mL²/3
Bewegingsvergelijking
ΣM = I·α
Snelheid in rad/s
ω = 2π·n/60
Kinetische energie
E = ½·I·ω²
Arbeid en vermogen
W = T·θ, P = T·ω
Rollen zonder slip
v = ω·r, E = ½mv²(1 + I/(mr²)), a = g·sin θ/(1 + I/(mr²))
Impulsmoment
L = I·ω, I1ω1 = I2ω2
Botsing om een draaipunt
m·v·d = I·ω
Methode
Kies de as: een vast draaipunt, of het zwaartepunt bij rollende lichamen.
Bepaal het traagheidsmoment om die as uit de standaardresultaten, met I = IG + m·d² voor een verschoven as.
Kies de methode: ΣM = I·α voor versnellingen en krachten, energie (½·I·ω² + ½·m·v² + m·g·h) voor snelheden, impulsmoment voor botsingen en plotselinge veranderingen.
Verbind lineaire en hoekbeweging met v = ω·r en a = α·r, en reken rpm om naar rad/s.
Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Ingrijpende tandwielen
n1·N1 = n2·N2
Koppel
T2 = T1·(N2/N1)·η
Vermogen
P = T·ω, ω = 2π·n/60
Meertraps overbrenging
totale overbrengingsverhouding = product van de trapverhoudingen
Veren en slingers
Massa aan een veer
T = 2π·√(m/k)
Slinger
T = 2π·√(L/g)
Hoekfrequentie
ω = √(k/m) = 2π/T
Maximale snelheid en versnelling
vmax = A·ω, amax = A·ω²
Energie
E = ½·k·A²
Mechanische trillingen
Eigenfrequentie
ωn = √(k/m), fn = ωn/(2π)
Uit de statische doorbuiging
ωn = √(g/δst)
Kritische demping
cc = 2√(km) = 2mωn
Dempingsverhouding
ζ = c/cc
Gedempte eigenfrequentie
ωd = ωn√(1 − ζ²)
Logaritmisch decrement
δ = (1/n)·ln(x0/xn), ζ = δ/√(4π² + δ²)
Veren parallel
k = k1 + k2
Veren in serie
1/k = 1/k1 + 1/k2
2Oefenopgaven
1.KinematicaGemiddeld
Een auto die met 80 km/h rijdt, remt met een constante vertraging van 3,5 m/s² tot hij stilstaat. Hoelang duurt het remmen? Bereken t.
v₀ = 80 km/ha = −3,5 m/s²v = 0
t = s
2.KinematicaMoeilijk
Bal A wordt vanuit rust losgelaten op een hoogte van 35 m. Op hetzelfde moment wordt bal B recht eronder vanaf de grond recht omhoog gegooid met 29 m/s. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Wanneer ontmoeten de ballen elkaar? Vind t.
H = 35 mv0B = 29 m/sg = 9,81 m/s²
t = s
3.Wetten van NewtonGemiddeld
Een doos van 30 kg wordt met constante snelheid een helling onder 20° met de horizontaal op geduwd, door een kracht evenwijdig aan de helling. De kinetische wrijvingscoëfficiënt is 0,1. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de duwkracht F.
m = 30 kgθ = 20°μ = 0,1g = 9,81 m/s²
F = N
4.Wetten van NewtonMoeilijk
Een blok van 6 kg op een horizontale tafel is via een licht touw over een wrijvingsloze katrol verbonden met een hangende massa van 6 kg. De tafel is wrijvingsloos. Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken de versnelling a van het systeem.
m1 = 6 kgm2 = 6 kgμ = 0g = 9,81 m/s²
a = m/s²
5.KogelbaanGemiddeld
Een bal wordt onder 60° boven de horizontaal vanaf vlak terrein weggeschoten. Verwaarloos luchtweerstand. Vind de vliegtijd t tot de bal de grond raakt.
v0 = 30 m/sθ = 60°g = 9,81 m/s²
t = s
6.KogelbaanMoeilijk
Een bal wordt gelanceerd met 10 m/s onder 35° boven de horizontaal vanaf de top van een klif van 10 m. Verwaarloos de luchtweerstand en gebruik g = 9,81 m/s². Vind de grootste hoogte H boven de grond aan de voet van de klif.
v₀ = 10 m/sθ = 35°h = 10 mg = 9,81 m/s²
H = m
7.CirkelbewegingGemiddeld
Een klein balletje aan een touwtje met lengte 1 m beweegt in een horizontale cirkel, zodat het touwtje een constante hoek van 40° met de verticaal maakt (een kegelslinger). Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de tijd T voor één omwenteling.
L = 1 mθ = 40°g = 9,81 m/s²
T = s
8.CirkelbewegingMoeilijk
Een karretje van 5 kg wordt vanuit rust losgelaten op een hoogte van 35,7 m op een wrijvingsloze baan en rijdt door een verticale looping met straal 8,5 m. Gebruik g = 9,81 m/s². Vind de normaalkracht Ntop van de baan op het karretje bovenaan de looping.
m = 5 kgh = 35,7 mR = 8,5 mg = 9,81 m/s²
Ntop = N
9.Arbeid en energieGemiddeld
Een blok van 4 kg glijdt 13 m een helling af onder 45° met de horizontaal, met een kinetische wrijvingscoëfficiënt van 0,15. Vind de arbeid Wf tegen de wrijving.
m = 4 kgθ = 45°μ = 0,15d = 13 mg = 9,81 m/s²
Wf = J
10.Arbeid en energieMoeilijk
Een blok van 5 kg wordt vanuit rust losgelaten op hoogte 5 m op een gladde helling. Onderaan steekt het een ruwe horizontale strook van 3,5 m over (μ = 0,2) en loopt daarna tegen een veer (k = 4000 N/m) op een glad oppervlak. Vind de maximale indrukking x van de veer.
m = 5 kgh = 5 mL = 3,5 mμ = 0,2k = 4000 N/mg = 9,81 m/s²
x = cm
11.Impuls en botsingenGemiddeld
Een karretje van 3,5 kg dat met 8 m/s rijdt, botst volkomen elastisch en frontaal op een stilstaand karretje van 0,5 kg op een wrijvingsloze baan. Bereken de snelheid v′1 van het eerste karretje na de botsing (positief in de oorspronkelijke richting).
m1 = 3,5 kgm2 = 0,5 kgv1 = 8 m/sv2 = 0
v′1 = m/s
12.Impuls en botsingenMoeilijk
Een bal van 0,2 kg raakt een muur met 22 m/s en kaatst recht terug met 12 m/s. Het contact duurt 40 ms. Bereken de gemiddelde kracht Favg van de muur op de bal.
m = 0,2 kgvin = 22 m/svout = 12 m/sΔt = 40 ms
Favg = N
13.Rotatie van een star lichaamGemiddeld
Een homogene slanke staaf met massa 7 kg en lengte 2,4 m is aan één uiteinde scharnierend bevestigd en wordt vanuit rust losgelaten in horizontale stand. Aan zijn vrije uiteinde zit een kleine bal met massa 3 kg vast. Verwaarloos wrijving en gebruik g = 9,81 m/s². Bepaal de snelheid v van het vrije uiteinde als de staaf door de verticale stand zwaait.
m = 7 kgL = 2,4 mmball = 3 kgg = 9,81 m/s²
v = m/s
14.Rotatie van een star lichaamMoeilijk
Een massieve bol met massa 11 kg rolt zonder slip met 4,5 m/s. Bepaal zijn totale kinetische energie Ek.
m = 11 kgv = 4,5 m/sI = (2/5)·m·r²
Ek = J
15.Tandwielen en tandwieloverbrengingenGemiddeld
Een riem loopt op een aandrijvende schijf van 120 mm met 1500 rpm. De spanning is 400 N in het trekkende deel en 100 N in het slappe deel. Bepaal het overgebrachte vermogen P, in kW.
d1 = 120 mmn1 = 1500 rpmT1 = 400 NT2 = 100 N
P = kW
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingenMoeilijk
Een open riem verbindt een aandrijvende schijf van 200 mm met 1500 rpm met een schijf van 315 mm; de hartafstand is 1200 mm. De wrijvingscoëfficiënt is 0,35 en de spanning in het trekkende deel mag niet meer dan 500 N zijn. Bepaal het grootste vermogen P dat de riem kan overbrengen zonder te slippen, in kW (verwaarloos centrifugaaleffecten).
Hoe lang moet een mathematische slinger zijn om een slingertijd van 1,5 s te hebben? Gebruik g = 9,81 m/s². Bereken L.
T = 1,5 sg = 9,81 m/s²
L = m
18.Veren en slingersMoeilijk
Een massa aan een veer met k = 220 N/m trilt op een wrijvingsloos oppervlak met een amplitude van 8 cm. Vind de kinetische energie K als de massa 3 cm van de evenwichtsstand is.
k = 220 N/mA = 8 cmx = 3 cm
K = J
19.Mechanische trillingenGemiddeld
Een massa van 25 kg aan een veer met een stijfheid van 20 kN/m heeft een viskeuze demper die een dempingsverhouding van 0,3 geeft. Vind de gedempte eigenfrequentie fd van de vrije trilling in Hz.
m = 25 kgk = 20 kN/mζ = 0,3
fd = Hz
20.Mechanische trillingenMoeilijk
Een massa van 25 kg hangt aan twee veren die achter elkaar zitten (in serie): de bovenste veer heeft k₁ = 50 kN/m en de onderste k₂ = 30 kN/m. Verwaarloos demping en de massa’s van de veren. Vind de eigenfrequentie fn van de verticale trilling in Hz.
m = 25 kgk1 = 50 kN/mk2 = 30 kN/m
fn = Hz
3Oplossingen
1.Kinematica
Antwoord: t = 6,349 s
Beweging met constante versnelling: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² en v² = v₀² + 2·a·s. Kies de formule die de drie bekende grootheden en de gezochte grootheid bevat, en houd de tekens consequent bij één positieve richting.
Eenheden
v₀ = 80/3,6 = 22,22 m/s
Remtijd
0 = v₀ − a·t → t = v₀/a = 22,22/3,5 = 6,349 s
Antwoord
t = 6,349 s
2.Kinematica
Antwoord: t = 1,207 s
Motion with constant acceleration: v = v₀ + a·t, s = v₀·t + ½·a·t² and v² = v₀² + 2·a·s. Pick the equation that contains the three things you know and the one you want, and keep the signs consistent with one positive direction.
Ontmoetingstijd
Omhoog is positief, de grond is y = 0.
35 − ½g·t² = 29·t − ½g·t² → t = 35/29 = 1,207 s
Antwoord
t = 1,207 s
3.Wetten van Newton
Antwoord: F = 128,3 N
Newton’s second law: the net force on a body equals its mass times its acceleration, ΣF = m·a. Draw a free-body diagram, choose a positive direction along the motion, and add every force in that direction: applied forces, friction μ·N against the motion, and the components of gravity.
Krachten langs de helling
Constante snelheid: de krachten zijn in evenwicht.
F = m·g·sin θ + μ·m·g·cos θ
Duwkracht
F = 100,7 + 27,66 = 128,3 N
Antwoord
F = 128,3 N
4.Wetten van Newton
Antwoord: a = 4,905 m/s²
Tweede wet van Newton: de resulterende kracht op een lichaam is gelijk aan de massa maal de versnelling, ΣF = m·a. Teken een vrijlichaamsschema, kies een positieve richting langs de beweging en tel alle krachten in die richting op: uitgeoefende krachten, de wrijving μ·N tegen de beweging in, en de componenten van de zwaartekracht.
Kogelbaan: zonder luchtweerstand geldt x = vxt en y = h + vyt − ½gt². De twee richtingen zijn onafhankelijk, behalve dat ze dezelfde tijd delen.
Ontbind de beginsnelheid
De horizontale snelheid blijft constant; de verticale beweging heeft een constante versnelling g = 9,81 m/s² omlaag.
vx = v0·cos θ = 30·cos 60° = 15 m/s
vy = v0·sin θ = 30·sin 60° = 25,98 m/s
Vliegtijd
Start en landing op dezelfde hoogte: t = 2vy/g.
t = 2·25,98/9,81 = 5,297 s
Antwoord
t = 5,297 s
6.Kogelbaan
Antwoord: H = 11,68 m
Projectile motion: with no air resistance, x = vxt and y = h + vyt − ½gt². The two directions are independent except that they share the same time.
Verticale beginsnelheid
vy = 10·sin 35° = 5,736 m/s
Stijging boven de klif
Δh = vy²/(2g) = 5,736²/(2·9,81) = 1,677 m
Hoogte boven de grond
H = 10 + 1,677 = 11,68 m
Antwoord
H = 11,68 m
7.Cirkelbeweging
Antwoord: T = 1,756 s
Uniform circular motion: an object moving at speed v on a circle of radius r accelerates towards the centre with a = v²/r, so it needs a net inward force F = m·v²/r. That force is supplied by something real: friction, tension, gravity or a normal force.
Straal van de cirkel
r = L·sin θ = 1·sin 40° = 0,6428 m
Snelheid
Spankracht en zwaartekracht geven samen de kracht naar binnen: tan θ = v²/(r·g).
v = √(r·g·tan θ) = √(0,6428·9,81·tan 40°) = 2,3 m/s
Trillingstijd
T = 2π·r/v = 2π·0,6428/2,3 = 1,756 s
Antwoord
T = 1,756 s
8.Cirkelbeweging
Antwoord: Ntop = 166,8 N
Uniform circular motion: an object moving at speed v on a circle of radius r accelerates towards the centre with a = v²/r, so it needs a net inward force F = m·v²/r. That force is supplied by something real: friction, tension, gravity or a normal force.
Snelheid uit behoud van energie
v² = 2·9,81·(35,7 − 2·8,5) = 366,9 m²/s²
Krachten
Naar het middelpunt is positief.
N = m·v²/R − m·g = 5·366,9/8,5 − 49,05 = 166,8 N
Antwoord
Ntop = 166,8 N
9.Arbeid en energie
Antwoord: Wf = 54,11 J
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Wrijvingskracht
N = mg·cos θ = 39,24·0,7071 = 27,75 N
F = μN = 0,15·27,75 = 4,162 N
Arbeid tegen de wrijving
Wf = F·d = 4,162·13 = 54,11 J
Antwoord
Wf = 54,11 J
10.Arbeid en energie
Antwoord: x = 32,47 cm
Arbeid-energiestelling: de verandering van kinetische energie is gelijk aan de arbeid van alle krachten. Door zwaartekracht en veren als potentiële energie te schrijven (mgh en ½kx²) wordt dit een balans: beginenergie = eindenergie + energie verloren aan wrijving (μN·d).
Overgebleven energie na de ruwe strook
De helling is glad, dus alleen de strook neemt energie weg.
mgh − μmgL = 49,05·(5 − 0,2·3,5) = 210,9 J
Maximale indrukking
½kx² = 210,9 → x = √(2·210,9/4000) = 0,3247 m = 32,47 cm
Antwoord
x = 32,47 cm
11.Impuls en botsingen
Antwoord: v′1 = 6 m/s
Behoud van impuls: als er tijdens een botsing geen externe kracht werkt, is de totale impuls Σm·v vóór de botsing gelijk aan die erna. Snelheden hebben een richting, dus kies een positieve richting en geef snelheden in de andere richting een minteken. Bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden; bij een volkomen inelastische botsing blijven de lichamen aan elkaar vast zitten.
Elastische botsing met een stilstaand doel
Behoud van impuls en energie samen oplossen geeft deze twee resultaten.
v′1 = (3,5 − 0,5)/(3,5 + 0,5)·8 = 6 m/s
v′2 = 2·3,5/(3,5 + 0,5)·8 = 14 m/s
Antwoord
v′1 = 6 m/s
12.Impuls en botsingen
Antwoord: Favg = 170 N
Behoud van impuls: als er tijdens een botsing geen externe kracht werkt, is de totale impuls Σm·v vóór de botsing gelijk aan die erna. Snelheden hebben een richting, dus kies een positieve richting en geef snelheden in de andere richting een minteken. Bij een elastische botsing blijft ook de kinetische energie behouden; bij een volkomen inelastische botsing blijven de lichamen aan elkaar vast zitten.
Verandering van de impuls
J = m·Δv = 0,2·(12 + 22) = 6,8 N·s
Gemiddelde kracht
Favg = J/Δt = 6,8/0,04 = 170 N
Antwoord
Favg = 170 N
13.Rotatie van een star lichaam
Antwoord: v = 7,576 m/s
Rotation about a fixed axis: the sum of the moments about the axis equals I·α (ΣM = I·α), just as ΣF = m·a for translation. In energy form, a torque T turning through an angle θ (in radians) does work T·θ, which changes the kinetic energy ½·I·ω²; gravity adds or removes m·g·Δh of the centre of mass. Power is P = T·ω.
Rolling and angular momentum: a body rolling without slipping has v = ω·r, so its kinetic energy is ½·m·v² + ½·I·ω² = ½·m·v²·(1 + I/(m·r²)). Down a slope that gives a = g·sin θ/(1 + I/(m·r²)). When no external moment acts about an axis, the angular momentum about that axis stays constant, I₁·ω₁ = I₂·ω₂, even if kinetic energy is lost.
Riemaandrijvingen: zonder slip hebben beide schijven dezelfde omtreksnelheid v = π·d·n/60, dus n₁·d₁ = n₂·d₂ en de overbrengingsverhouding is d₂/d₁. Slip s maakt de aangedreven schijf iets langzamer: n₂ = n₁·(d₁/d₂)·(1 − s). Het overgebrachte vermogen is P = (T₁ − T₂)·v, met T₁ de spanning in het trekkende deel en T₂ in het slappe deel. Wrijving beperkt de verhouding van de spanningen: T₁/T₂ = eμθ, waarbij θ de omspanningshoek in radialen op de kleinere schijf is; voor een open riem is θ = π − 2·asin((d₂ − d₁)/(2C)) met hartafstand C.
Riemsnelheid
v = 9,425 m/s
Vermogen
P = (400 − 100)·9,425 = 2827 W = 2,827 kW
Antwoord
P = 2,827 kW
16.Tandwielen en tandwieloverbrengingen
Antwoord: P = 5,149 kW
Riemaandrijvingen: zonder slip hebben beide schijven dezelfde omtreksnelheid v = π·d·n/60, dus n₁·d₁ = n₂·d₂ en de overbrengingsverhouding is d₂/d₁. Slip s maakt de aangedreven schijf iets langzamer: n₂ = n₁·(d₁/d₂)·(1 − s). Het overgebrachte vermogen is P = (T₁ − T₂)·v, met T₁ de spanning in het trekkende deel en T₂ in het slappe deel. Wrijving beperkt de verhouding van de spanningen: T₁/T₂ = eμθ, waarbij θ de omspanningshoek in radialen op de kleinere schijf is; voor een open riem is θ = π − 2·asin((d₂ − d₁)/(2C)) met hartafstand C.
Omspanningshoek
θ = 3,046 rad
Spanning in het slappe deel
eμθ = e1,066 = 2,904, T₂ = 500/2,904 = 172,2 N
Vermogen
P = (500 − 172,2)·15,71 = 5,149 kW
Antwoord
P = 5,149 kW
17.Veren en slingers
Antwoord: L = 0,5591 m
Harmonische trilling: een massa m aan een veer met veerconstante k trilt met hoekfrequentie ω = √(k/m) en trillingstijd T = 2π/ω = 2π·√(m/k). Een mathematische slinger met lengte L heeft T = 2π·√(L/g). Bij amplitude A is de grootste snelheid A·ω, de grootste versnelling A·ω² en de energie ½·k·A².
Los de lengte op
L = g·(T/2π)² = 9,81·(1,5/2π)² = 0,5591 m
Antwoord
L = 0,5591 m
18.Veren en slingers
Antwoord: K = 0,605 J
Simple harmonic motion: a mass m on a spring of stiffness k oscillates with angular frequency ω = √(k/m) and period T = 2π/ω = 2π·√(m/k). A simple pendulum of length L has T = 2π·√(L/g). With amplitude A, the largest speed is A·ω, the largest acceleration A·ω² and the energy ½·k·A².
Totale energie
E = ½·k·A² = ½·220·0,08² = 0,704 J
Veerenergie bij x
U = ½·k·x² = ½·220·0,03² = 0,099 J
Kinetische energie
K = 0,704 − 0,099 = 0,605 J
Antwoord
K = 0,605 J
19.Mechanische trillingen
Antwoord: fd = 4,294 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Ongedempte eigenfrequentie
ωn = √(20000/25) = 28,28 rad/s
fn = 28,28/(2π) = 4,502 Hz
Gedempte eigenfrequentie
fd = fn·√(1 − ζ²) = 4,502·√(1 − 0,3²) = 4,294 Hz
Antwoord
fd = 4,294 Hz
20.Mechanische trillingen
Antwoord: fn = 4,359 Hz
Vrije trilling van een massa-veersysteem: de ongedempte eigenhoekfrequentie is ωn = √(k/m) in rad/s, en fn = ωn/(2π) in Hz. Een viskeuze demper c geeft de dempingsverhouding ζ = c/cc, met kritische demping cc = 2·√(k·m) = 2·m·ωn. Een ondergedempt systeem (ζ < 1) trilt met ωd = ωn·√(1 − ζ²). Parallelle veren tellen op, k = k₁ + k₂; veren in serie tellen op via hun omgekeerde, 1/k = 1/k₁ + 1/k₂.
Vervangende stijfheid
Veren in serie dragen dezelfde kracht en hun doorbuigingen tellen op, dus ze combineren via hun omgekeerde: 1/k = 1/k1 + 1/k2.