Interpretatie van ECG-ritmestrips
- Papier (25 mm/s, 10 mm/mV)
- 1 klein hokje = 0,04 s, 1 groot hokje = 0,20 s, 10 mm = 1 mV
- Hartfrequentie, regelmatig ritme
- 300 ÷ grote hokjes = 1500 ÷ kleine hokjes = 60 ÷ RR (s)
- Hartfrequentie, onregelmatig ritme
- QRS-complexen in 6 s × 10
- Normaal PR-interval
- 0,12–0,20 s
- Normale QRS-duur
- < 0.12 s
- QTc (Bazett)
- QT/√RR
- QTc (Fridericia)
- QT/∛RR
- QTc (Framingham)
- QT + 154·(1 − RR)
- Sinusfrequenties
- bradycardie < 60, normaal 60–100, tachycardie > 100 /min
- Ontsnappingsfrequenties
- junctioneel 40–60, ventriculair 20–40 /min
- Snelle ritmes
- SVT 150–250 /min (smal), VT > 100 /min (breed)
Methode
- Frequentie: deel bij een regelmatig ritme 300 door de grote hokjes of 1500 door de kleine hokjes tussen twee R-toppen; tel bij een onregelmatig ritme de QRS-complexen in 6 seconden en vermenigvuldig met 10.
- Ritme: vergelijk de R–R-intervallen. Gelijk is regelmatig; een zich herhalend patroon is regelmatig onregelmatig; helemaal geen patroon is volledig onregelmatig.
- P-toppen: is er in afleiding II vóór elk QRS een positieve P-top, allemaal gelijk? Zoek naar fibrillatie- of zaagtandgolven, negatieve P-toppen en P-toppen zonder QRS.
- PR-interval: van het begin van de P tot het begin van het QRS, normaal 0,12–0,20 s en constant. Let erop of het langer wordt, vast blijft vóór een weggevallen slag of willekeurig wisselt.
- QRS-duur: onder 0,12 s is smal; 0,12 s of meer is breed. Benoem daarna het ritme en gebruik voor de QT QTc = QT/√RR (Bazett) met tijden in seconden.