Beleggingen en waardering: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 8 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Tijdswaarde van geld

Eindwaarde
FV = PV·(1 + i)n
Contante waarde
PV = FV/(1 + i)n
Meerdere perioden per jaar
i = r/m, N = m·n
Annuïteit, contante waarde
PV = PMT·[1 − (1 + i)−n]/i
Annuïteit, eindwaarde
FV = PMT·[(1 + i)n − 1]/i

Methode

  1. Teken een tijdlijn met elke kasstroom en het moment waarop die valt.
  2. Laat de rente aansluiten bij de periode: een maandrente voor maandelijkse betalingen.
  3. Gebruik FV = PV·(1 + i)ⁿ voor losse bedragen en de annuïteitenformules voor gelijke betalingen.
  4. Controleer het teken en de orde van grootte van het antwoord.

Obligatiekoers en rendement

Obligatiekoers
P = C·(1 − (1 + y)−n)/y + F/(1 + y)n
Halfjaarlijks
C/2, y/2 en 2n perioden
Lopend rendement
C/P
Koers en rendement
rendement omhoog → koers omlaag

Methode

  1. Bepaal de coupon per periode en het rendement per periode.
  2. Prijs = contante waarde van de coupons (een annuïteit) + contante waarde van de nominale waarde.
  3. Gebruik bij halfjaarlijkse coupons de halve coupon, het halve rendement en twee keer zoveel perioden.
  4. Controle: als het rendement boven de couponrente ligt, ligt de prijs onder de nominale waarde.

CAPM en WACC

CAPM
re = rf + β·(rm − rf)
WACC
E/V·re + D/V·rd·(1 − T)
Ondernemingswaarde
V = E + D

NCW & IRR

Netto contante waarde
NPV = −C0 + Σ CFt/(1 + r)t
Gelijke kasstromen
NPV = −C0 + CF·[1 − (1 + r)−n]/r
Interne rentevoet
de r waarbij NPV = 0
Beslissing
accepteren als NPV > 0 (of IRR > vereist rendement)

Methode

  1. Zet alle kasstromen met hun jaar op een rij; de investering in jaar 0 is negatief.
  2. Disconteer elke kasstroom: CFt/(1 + r)t.
  3. Tel ze op om de NCW te krijgen. Positief betekent dat het project meer oplevert dan r.
  4. Zoek voor de IRR de rente waarbij de NCW nul wordt, door proberen of interpoleren.

2Oefenopgaven

1.Tijdswaarde van geldGemiddeld
jaar0123…8€2 000FV = ?

Je belegt €2 000 tegen een nominale rente van 6 % per jaar, per kwartaal samengesteld. Bereken de waarde FV van de belegging na 8 jaar.

PV = €2 0006% / 4n = 8
FV = €
2.Tijdswaarde van geldMoeilijk
maanden0123…240€250 000A?AAA

Een lening van €250 000 wordt in 20 jaar afgelost met gelijke maandtermijnen. De rente is 5,4 % per jaar, maandelijks samengesteld. Bereken de maandtermijn A.

P = €250 0005,4% / 12N = 240
A = €
3.Obligatiekoers en rendementGemiddeld

Je koopt een obligatie met een resterende looptijd van 6 jaar (nominale waarde €1 000, jaarlijkse coupon 4,5%) als het effectieve rendement 6% is. Een jaar later, direct na ontvangst van de eerste coupon, verkoop je haar als het effectieve rendement 5,5% is. Bereken je perioderendement (holding period return) HPR in procenten.

F = €1 000coupon = 4,5%n = 6y0 = 6%y1 = 5,5%
HPR = %
4.Obligatiekoers en rendementMoeilijk
jaar0123456P€30€30€30 + €1 000

Een obligatie met een nominale waarde van €1 000 betaalt een jaarlijkse coupon van 3% en loopt over 6 jaar af. Het effectieve rendement is 8%. Bereken de Macaulay-duration D in jaren.

F = €1 000coupon = 3%n = 6YTM = 8%
D = jaar
5.CAPM en WACCGemiddeld
WACC = 7,83%eigen vermogen€8 000 000re​ = ?schuld€2 000 000rd​ = 4%T = 21%

Een onderneming heeft eigen vermogen ter waarde van €8 000 000 en vreemd vermogen ter waarde van €2 000 000. De WACC is 7,83%, de kosten van het vreemd vermogen vóór belasting 4% en het belastingtarief is 21%. Bereken de kosten van het eigen vermogen re.

E = €8 000 000D = €2 000 000WACC = 7,83%rd = 4%T = 21%
re = %
6.CAPM en WACCMoeilijk
WACC = ?eigen vermogen2 500 000 × €16,50β = 1,8rf​ = 4%, rm​ = 10%schuld20 000 × €1 050rd​ = 5%T = 30%

Een onderneming heeft 2 500 000 aandelen van €16,50 per stuk en 20 000 obligaties met een koers van €1 050 per stuk. De kosten van het vreemd vermogen vóór belasting zijn 5% en het belastingtarief is 30%. De bèta van het aandeel is 1,8, de risicovrije rente 4% en het marktrendement 10%. Bereken de WACC.

β = 1,8rf = 4%rm = 10%rd = 5%T = 30%
WACC = %
7.NCW & IRRGemiddeld
jaar0123−20 0008 0006 0007 000

Een investering van €20 000 levert aan het eind van jaar 1 tot en met 3 deze kasstromen op: €8 000, €6 000, €7 000. De vermogenskosten zijn 9 %. Bereken de netto contante waarde NPV.

r = 9%CF0 = −20 000CF1 = 8 000CF2 = 6 000CF3 = 7 000
NPV = €
8.NCW & IRRMoeilijk
jaar0123−50 00028 00035 00030 500

Een project kost €50 000 en levert aan het eind van jaar 1 tot en met 3 €28 000, €35 000, €30 500 op. Bereken de interne rentabiliteit IRR in procenten.

CF0 = −50 000CF1 = 28 000CF2 = 35 000CF3 = 30 500
IRR = %

3Oplossingen

1.Tijdswaarde van geld

Antwoord: FV = 3221 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Rente en aantal perioden

i = r/m = 0,06/4 = 0,015
N = m·n = 4·8 = 32

Eindwaarde

FV = 2 000·(1 + 0,015)32 = 2 000·1,61 = €3 220,65

Antwoord

FV = €3 220,65
2.Tijdswaarde van geld

Antwoord: A = 1706 €

Tijdswaarde van geld: geld vandaag is meer waard dan hetzelfde bedrag later, omdat het rente kan opbrengen. Bij een rente i per periode groeit een bedrag tot FV = PV·(1 + i)n. Een reeks gelijke betalingen (een annuïteit) waardeer je door alle betalingen op te tellen; daaruit volgen de annuïteitenformules.

Maandrente en aantal termijnen

i = 0,054000000000000006/12 = 0,0045
N = 12·20 = 240

Termijn

De contante waarde van N gelijke betalingen A is A·(1 − (1 + i)⁻ᴺ)/i. Stel die gelijk aan de lening en los A op.

(1 + i)−N = 0,3404
A = 250 000·0,0045/(1 − 0,3404) = €1 705,63

Antwoord

A = €1 705,63
3.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: HPR = 8,211 %

Obligatiewaardering: de koers van een obligatie is de contante waarde van haar kasstromen, verdisconteerd tegen het effectieve rendement (yield to maturity, YTM): de coupons vormen een annuïteit en de nominale waarde wordt op de aflossingsdatum terugbetaald. P = C·(1 − (1 + y)⁻ⁿ)/y + F/(1 + y)ⁿ. Als het rendement boven de couponrente ligt, noteert de obligatie onder de nominale waarde, en omgekeerd.

Aankoopkoers

C = €45,00, i = 0,06, N = 6
€45,00·(1 − 0,705)/0,06 + €1 000·0,705 = €221,28 + €704,96 = €926,24

Verkoopkoers

C = €45,00, i = 0,055, N = 5
€45,00·(1 − 0,7651)/0,055 + €1 000·0,7651 = €192,16 + €765,13 = €957,30

Perioderendement

HPR = (45 + 957,30 − 926,24)/926,24 = 8,211%

Antwoord

HPR = 8,211%
4.Obligatiekoers en rendement

Antwoord: D = 5,509 jaar

Duration: de Macaulay-duration is het gewogen gemiddelde tijdstip waarop een obligatie haar kasstromen uitbetaalt, met de contante waarden van de kasstromen als gewichten: D = Σ t·PVₜ/P. De gemodificeerde duration D/(1 + y) schat de procentuele koersverandering bij een kleine verandering van het rendement: %ΔP ≈ −Dmod·Δy.

Contante waarde van elke kasstroom

t = 1: 30/1,08 = 27,78, t·PV = 27,78
t = 2: 30/1,166 = 25,72, t·PV = 51,44
t = 3: 30/1,26 = 23,81, t·PV = 71,44
t = 4: 30/1,36 = 22,05, t·PV = 88,20
t = 5: 30/1,469 = 20,42, t·PV = 102,09
t = 6: 1030/1,587 = 649,07, t·PV = 3 894,45

Duration

P = 768,86
D = 4 235,40/768,86 = 5,509

Antwoord

D = 5,509 jaar
5.CAPM en WACC

Antwoord: re = 8,998 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Gewichten

V = €10 000 000, E/V = 0,8, D/V = 0,2

Deel van het vreemd vermogen in de WACC

0,2·4%·(1 − 0,21) = 0,632%

Kosten van het eigen vermogen

re = (7,83% − 0,632%)/0,8 = 8,998%

Antwoord

re = 8,998%
6.CAPM en WACC

Antwoord: WACC = 10,99 %

Vermogenskosten: CAPM geeft het rendement dat aandeelhouders eisen: re = rf + β·(rm − rf). De gewogen gemiddelde vermogenskosten combineren eigen en vreemd vermogen naar hun marktwaarden: WACC = E/V·re + D/V·rd·(1 − T), met V = E + D. Rente is fiscaal aftrekbaar, vandaar de (1 − T).

Marktwaarden

E = 2 500 000·€16,50 = €41 250 000
D = 20 000·€1 050 = €21 000 000

Kosten eigen vermogen (CAPM)

re = 4% + 1,8·6% = 14,8%

Gewichten

V = €62 250 000, E/V = 0,6627, D/V = 0,3373

WACC

WACC = 0,6627·14,8% + 0,3373·5%·(1 − 0,3) = 10,99%

Antwoord

WACC = 10,99%
7.NCW & IRR

Antwoord: NPV = −2205 €

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

Contante waarde van elke kasstroom

CF0 = −20 000
CF1/(1 + 0,09)1 = 8 000/1,09 = 7 339,45
CF2/(1 + 0,09)2 = 6 000/1,188 = 5 050,08
CF3/(1 + 0,09)3 = 7 000/1,295 = 5 405,28

Optellen

NPV = €−2 205,19

Antwoord

NPV = €−2 205,19

De NCW is negatief, dus het project verdient minder dan het vereiste rendement.

8.NCW & IRR

Antwoord: IRR = 38,41 %

Netto contante waarde: zet elke kasstroom met het vereiste rendement r terug naar vandaag en tel ze op: NPV = Σ CFₜ/(1 + r)ᵗ. Een project met NPV > 0 verdient meer dan r en voegt waarde toe. De interne rentabiliteit (IRR) is de rente waarbij NPV = 0.

De IRR insluiten

De NCW daalt als de rente stijgt, dus de IRR ligt tussen een rente met positieve en een met negatieve NCW.

NPV(35%) = 2 341,61
NPV(40%) = −1 027,70

Verfijnen

Lineair interpoleren geeft een eerste schatting; dat herhalen (of de IRR-functie van een rekenmachine) geeft de exacte rente.

IRR ≈ 35 + 5·2 341,61/(2 341,61 − (−1 027,70)) = 38,47%
exact: NPV(38,41%) = 0 → IRR = 38,41%

Antwoord

IRR = 38,41%

ExamProblems · examproblems.com/courses/investments-and-valuation