Sterkteleer: samenvattingspakket

Formuleoverzichten, de belangrijkste methodestappen voor elk onderwerp en 14 oefenopgaven, met volledige oplossingen achterin.

Nieuwe opgavenTerug naar het vak

Kies in het printvenster “Opslaan als pdf” om een kopie op je apparaat te bewaren.

1Formules en methoden

Axiale spanning en rek

Normaalspanning
σ = F/A
Rek
ε = ΔL/L
Wet van Hooke
σ = E·ε
Verlenging
ΔL = FL/(EA)
Thermische rek
εT = α·ΔT

Torsie van assen

Schuifspanning
τ = T·r/J
Massieve as
J = πd⁴/32
Holle as
J = π(D⁴ − d⁴)/32
Wringhoek
φ = TL/(GJ)
Vermogen
P = T·ω = 2πnT/60

Methode

  1. Bereken het polair traagheidsmoment: J = πd⁴/32 voor een massieve as.
  2. Schuifspanning aan het oppervlak: τ = T·r/J, met r de buitenstraal.
  3. Wringhoek: φ = TL/(GJ) in radialen.
  4. Als het vermogen gegeven is, bereken dan eerst het koppel met P = T·ω, ω = 2πn/60.

Dwarskracht en buigend moment

Dwarskracht en moment
V = ΣF aan één kant, M = ΣF·d aan één kant
Buigspanning
σ = M·y/I
Rechthoek
I = bh³/12
Weerstandsmoment
W = I/ymax
Ligger op twee steunpunten, gelijkmatige belasting
Mmax = wL²/8

Methode

  1. Bepaal de oplegreacties uit het evenwicht van de hele balk.
  2. Snijd de balk door in de doorsnede die je nodig hebt en houd één kant over.
  3. Dwarskracht: de som van de verticale krachten op die kant. Buigend moment: de som van hun momenten om de snede.
  4. Zoek voor het maximale moment de plek waar de dwarskracht nul is.

Zwaartepunt en traagheidsmoment

Zwaartepunt
ȳ = ΣAiyi/ΣAi
Rechthoek
I = bh³/12
Stelling van Steiner
I = Ic + A·d²
Samengestelde doorsnede
I = Σ(Ic,i + Aidi²)

Cirkel van Mohr en spanningstransformatie

Middelpunt
C = (σx + σy)/2
Straal
R = √(((σx − σy)/2)² + τxy²)
Hoofdspanningen
σ1,2 = C ± R
Hoofdrichting
tan 2θp = 2τxy/(σx − σy)
Schuin vlak
σθ = C + (σx − σy)/2·cos 2θ + τxy·sin 2θ

Methode

  1. Bereken het middelpunt van de cirkel van Mohr: C = (σx + σy)/2.
  2. Bereken de straal: R = √(((σx − σy)/2)² + τxy²).
  3. De hoofdspanningen zijn C ± R en de grootste schuifspanning in het vlak is R.
  4. Hoeken op de cirkel zijn het dubbele van de hoeken op het element: tan 2θp = 2τxy/(σx − σy).

Doorbuiging van de balk

Puntlast in het midden
δ = PL³/(48EI)
Gelijkmatige belasting, ligger op twee steunpunten
δ = 5wL⁴/(384EI)
Uitkraging, eindlast
δ = PL³/(3EI)
Uitkraging, gelijkmatige belasting
δ = wL⁴/(8EI)
Superpositie
δ = δ1 + δ2

Knik van kolommen

Eulerse kniklast
Pcr = π²EI/(KL)²
Kniklengtefactor
K = 1 scharnierend–scharnierend, 0,5 ingeklemd–ingeklemd, 0,7 ingeklemd–scharnierend, 2 ingeklemd–vrij
Kritieke spanning
σcr = Pcr/A
Slankheid
λ = KL/r, r = √(I/A)

2Oefenopgaven

1.Axiale spanning en rekGemiddeld
Ø 16 mmKoper2 mP = 120 kN

Vind de axiale rek ε in de staaf van koper, in microrek (µε = 10⁻⁶).

P = 120 kNd = 16 mmL = 2 mE = 117 GPa
ε = µε
2.Axiale spanning en rekMoeilijk
P = ?Ø40110 GPaØ120/60800 mm

Een staaf van staal (diameter 40 mm, E = 200 GPa, toelaatbare spanning 150 MPa) zit in een buis van brons (buitendiameter 120 mm, binnendiameter 60 mm, E = 110 GPa, toelaatbare spanning 70 MPa). Ze worden samen tussen stijve platen op druk belast. Bepaal de grootste belasting Pmax.

staaf: Ø40 mm, E = 200 GPa, σallow = 150 MPabuis: Ø120/Ø60 mm, E = 110 GPa, σallow = 70 MPa
Pmax = kN
3.Torsie van assenGemiddeld
d1​ = 50 mmd2​ = 20 mmT = 250 N·mABC1,2 m1,5 m

Een getrapte massieve as van aluminium is ingeklemd in A. Deel AB heeft diameter 50 mm en lengte 1,2 m; deel BC heeft diameter 20 mm en lengte 1,5 m. Op het vrije uiteinde C werkt een wringend moment van 250 N·m. Vind de maximale schuifspanning τmax in de as.

T = 250 N·md1 = 50 mm, L1 = 1,2 md2 = 20 mm, L2 = 1,5 m
τmax = MPa
4.Torsie van assenMoeilijk
Td = ?

Een massieve as moet 30 kW overbrengen bij 1450 omw/min zonder dat de schuifspanning boven 75 MPa komt. Vind de kleinste diameter d die voldoet.

P = 30 kWN = 1450 rpmτallow = 75 MPa
d = mm
5.Dwarskracht en buigend momentGemiddeld
15 kN/m20 kNABCDEFG2 m2 m2 m2 m2 m2 m

De markeringen A tot en met G verdelen de balk in zes gelijke delen. Bij welke markering is het buigend moment het grootst in absolute waarde, positief of negatief? Klik erop in het diagram.

20 kN @ 10 m15 kN/m, 0–10 m
  1. 1A (x = 0 m)
  2. 2B (x = 2 m)
  3. 3C (x = 4 m)
  4. 4D (x = 6 m)
  5. 5E (x = 8 m)
  6. 6F (x = 10 m)
  7. 7G (x = 12 m)
6.Dwarskracht en buigend momentMoeilijk
w = 16 kN/mAB2 m2 m1 m

De vrij opgelegde balk draagt een gelijkmatig verdeelde belasting over een deel van de overspanning. Vind de afstand x0 van A tot de doorsnede waar het buigend moment het grootst is.

L = 5 mw = 16 kN/m van 2 tot 4 m
x0 = m
7.Zwaartepunt en traagheidsmomentGemiddeld
300110t = 20xafmetingen in mm

Een U-profiel ligt met de open kant naar boven: een bodemplaat van 300 mm breed met twee opstaande benen, 110 mm hoog in totaal. Bodem en benen zijn allemaal 20 mm dik. Vind het traagheidsmoment Ix om de horizontale as x door het zwaartepunt.

b = 300 mmh = 110 mmt = 20 mm
Ix = × 10⁶ mm⁴
8.Zwaartepunt en traagheidsmomentMoeilijk
180220101501216xafmetingen in mm

Een gelast I-profiel heeft een bovenflens van 180 × 10 mm, een lijf van 150 mm hoog en 16 mm dik, en een onderflens van 220 × 12 mm (breedte × dikte). Vind het traagheidsmoment Ix om de horizontale as x door het zwaartepunt.

bovenflens: 180 × 10 mmlijf: 16 × 150 mmonderflens: 220 × 12 mm
Ix = × 10⁶ mm⁴
9.Cirkel van Mohr en spanningstransformatieGemiddeld
σx​ = 160σy​ = 120τxy​ = 40MPa

In een punt is σₓ = 160 MPa, σᵧ = 120 MPa en τₓᵧ = 40 MPa (trek positief). Vind de hoek θs, tussen −90° en 90°, van de x-as tot de normaal van het vlak waarop de schuifspanning haar maximale positieve waarde +R heeft (schuifspanning positief in dezelfde zin als τₓᵧ).

σx = 160 MPaσy = 120 MPaτxy = 40 MPa
θs = °
10.Cirkel van Mohr en spanningstransformatieMoeilijk
σx​ = −50σy​ = 50τxy​ = −20MPa

Een punt in een belast onderdeel heeft σₓ = −50 MPa, σᵧ = 50 MPa en τₓᵧ = −20 MPa (trek positief). Bereken de normaalspanning σθ op een vlak waarvan de normaal 50° tegen de klok in gedraaid is ten opzichte van de x-as.

σx = −50 MPaσy = 50 MPaτxy = −20 MPaθ = 50°
σθ = MPa
11.Doorbuiging van de balkGemiddeld
w = 8 kN/mδL = 2,5 m

Een vrij opgelegde balk draagt een gelijkmatig verdeelde belasting w over de hele overspanning. Vind de maximale doorbuiging δmax, in het midden.

w = 8 kN/mL = 2,5 mE = 11 GPa (constructiehout)I = 23 × 10⁶ mm⁴
δmax = mm
12.Doorbuiging van de balkMoeilijk
w = 4 kN/mABδ3,5 m

Een vrij opgelegde houten balk met rechthoekige doorsnede, 125 mm breed, draagt een gelijkmatig verdeelde belasting w over de hele overspanning. De doorbuiging in het midden mag niet groter zijn dan overspanning/300. Vind de kleinste hoogte hreq van de doorsnede.

w = 4 kN/mL = 3,5 mE = 11 GPa (constructiehout)b = 125 mm
hreq = mm
13.Knik van kolommenGemiddeld
PL = 1,5 m20 × 60 mmdoorsnede

Een kolom met lengte L van staal is aan beide uiteinden ingeklemd. Vind met de formule van Euler de kritieke knikbelasting Pcr.

L = 1,5 mE = 200 GPa (staal)b × h = 20 × 60 mm
Pcr = kN
14.Knik van kolommenMoeilijk
P = 145 kNL = 4 md = ?doorsnede

Een massieve ronde kolom met lengte L van staal is aan beide uiteinden scharnierend. Hij moet 145 kN dragen met een veiligheidsfactor van 2 tegen knik. Vind de kleinste diameter d.

P = 145 kNn = 2L = 4 mE = 200 GPa (staal)
d = mm

3Oplossingen

1.Axiale spanning en rek

Antwoord: ε = 5101 µε

Wet van Hooke: in het elastische gebied geldt σ = E·ε. Samen met σ = P/A en ε = δ/L geeft dat δ = PL/(AE).

Spanning

A = π·16²/4 = 201,1 mm²
σ = P/A = 120·1000/201,1 = 596,8 MPa

Rek (wet van Hooke)

E for koper = 117 GPa = 117000 MPa.

ε = σ/E = 596,8/117000 = 0,005101 = 5101 µε

Antwoord

ε = 5101 µε
2.Axiale spanning en rek

Antwoord: Pmax = 753,7 kN

Twee materialen: bij serie (na elkaar) draagt elk segment dezelfde kracht en de verlengingen tellen op: δ = P·Σ L/(E·A). Bij parallel (naast elkaar tussen stijve platen) worden beide delen evenveel korter, dus hun rekken zijn gelijk: het stijvere deel neemt het grotere aandeel op, Pi = P·EiAi/ΣEA, en σi = Ei·ε. Een staaf die tussen twee stijve wanden is ingeklemd met een belasting op de overgang is statisch onbepaald: de twee segmenten delen de belasting naar verhouding van hun stijfheid k = EA/L.

Oppervlakken

Ar = π·40²/4 = 1257 mm²
At = π(120² − 60²)/4 = 8482 mm²

Gecombineerde axiale stijfheid

ΣEA = 200·10³·1257 + 110·10³·8482 = 1,184 × 10⁹ N

Bepalende rek

ε = min(0,00075, 0,0006364) = 0,0006364 (brons)

Grootste belasting

Pmax = 0,0006364·1,184 × 10⁹ = 753697 N = 753,7 kN

Antwoord

Pmax = 753,7 kN
3.Torsie van assen

Antwoord: τmax = 159,2 MPa

Torsie van ronde assen: de schuifspanning neemt lineair toe van nul in het midden tot τmax = T·r/J aan het oppervlak, met J = πd⁴/32 voor een massieve as en J = π(do⁴ − di⁴)/32 voor een holle. De wringhoek is φ = TL/(GJ) in radialen. Vermogen en koppel hangen samen via P = T·ω.

Spanning in elk deel

T = 250 N·m = 250000 N·mm
τAB = 16·250000/(π·50³) = 10,19 MPa
τBC = 16·250000/(π·20³) = 159,2 MPa

Antwoord

τmax = 159,2 MPa
4.Torsie van assen

Antwoord: d = 23,76 mm

Torsie van ronde assen: de schuifspanning neemt lineair toe van nul in het midden tot τmax = T·r/J aan het oppervlak, met J = πd⁴/32 voor een massieve as en J = π(do⁴ − di⁴)/32 voor een holle. De wringhoek is φ = TL/(GJ) in radialen. Vermogen en koppel hangen samen via P = T·ω.

Koppel

ω = 2πN/60 = 2π·1450/60 = 151,8 rad/s
T = P/ω = 30000/151,8 = 197,6 N·m

Diameter uit de toelaatbare spanning

d = ∛(16T/(π·τallow)) = ∛(16·197572/(π·75)) = 23,76 mm

Antwoord

d = 23,76 mm

In de praktijk rond je af naar de volgende standaardmaat.

5.Dwarskracht en buigend moment

Antwoord: D (x = 6 m)

Grootste buigend moment: M verandert van helling overal waar de dwarskracht verandert, dus de pieken liggen waar de dwarskracht door nul gaat: onder een puntlast, binnen een verdeelde last, of boven een oplegging van een uitkragende balk. Bij een ingeklemde oplegging van een console is het moment het grootst bij de wand. Vergelijk de grootte van M op die plaatsen, positief (doorbuigend) of negatief (opbuigend).

Oplegreacties

Neem momenten om één oplegging en gebruik dan het verticale krachtenevenwicht.

R1 = 90,83 kN, R2 = 79,17 kN

Buigend moment bij elke markering

Tel de momenten van alle krachten aan één kant van de snede op. Een doorbuigend moment is positief, een opbuigend moment negatief.

MA = 0, MB = 151,7, MC = 243,3, MD = 275 kN·m, ME = 246,7, MF = 158,3, MG = 0

Antwoord

Markering D: MD = 275 kN·m
6.Dwarskracht en buigend moment

Antwoord: x0 = 2,8 m

Snedemethode: snijd de balk door waar je de inwendige krachten wilt weten en houd één kant over. De dwarskracht V houdt de verticale krachten op die kant in evenwicht, en het buigend moment M hun momenten om de snede. Maximaal moment: omdat dM/dx = V, bereikt het buigend moment zijn piek waar de dwarskracht door nul gaat, bij een puntlast of binnen een verdeelde belasting.

Oplegreacties

Evenwicht van de hele balk.

Resultante van de verdeelde belasting: W = w·ℓ = 16·2 = 32 kN, aangrijpend op x̄ = 3 m
ΣMA = 0: RB·5 = 16·2·3
RB = 96/5 = 19,2 kN
ΣFy = 0: RA = 32 − 19,2 = 12,8 kN

Dwarskracht nul

De dwarskracht begint bij RA, blijft constant over elk onbelast deel en daalt met helling w binnen de belasting.

RA − w·(x0 − 2) = 0
x0 = 2 + 12,8/16 = 2,8 m

Antwoord

x0 = 2,8 m
7.Zwaartepunt en traagheidsmoment

Antwoord: Ix = 9,436 × 10⁶ mm⁴

Samengestelde doorsneden: verdeel de doorsnede in rechthoeken. Het zwaartepunt is het oppervlaktegewogen gemiddelde ȳ = ΣAᵢyᵢ/ΣAᵢ. Het traagheidsmoment om de zwaartepuntsas telt voor elk deel de eigen bh³/12 en de Steinerterm A·d² op, waarbij d de afstand is van het zwaartepunt van het deel tot het totale zwaartepunt. De buigspanning is σ = M·y/I.

Verdeel in rechthoeken

Neem de bodem over de volle breedte en de twee benen daarboven (hoogte h − t), zodat niets dubbel geteld wordt.

basis: A1 = 300·20 = 6000 mm², y1 = 10 mm
twee benen: A2 = 2·20·90 = 3600 mm², y2 = 20 + 90/2 = 65 mm

Zwaartepunt

ȳ = (6000·10 + 3600·65)/9600 = 30,63 mm

Stelling van Steiner

basis: 300·20³/12 + 6000·(10 − 30,63)² = 2,752 × 10⁶ mm⁴
twee benen: 2·20·90³/12 + 3600·(65 − 30,63)² = 6,684 × 10⁶ mm⁴
Ix = 2,752 × 10⁶ + 6,684 × 10⁶
Ix = 9,436 × 10⁶ mm⁴ = 9,436 × 10⁶ mm⁴

Antwoord

Ix = 9,436 × 10⁶ mm⁴
8.Zwaartepunt en traagheidsmoment

Antwoord: Ix = 32,67 × 10⁶ mm⁴

Samengestelde doorsneden: verdeel de doorsnede in rechthoeken. Het zwaartepunt is het oppervlaktegewogen gemiddelde ȳ = ΣAᵢyᵢ/ΣAᵢ. Het traagheidsmoment om de zwaartepuntsas telt voor elk deel de eigen bh³/12 en de Steinerterm A·d² op, waarbij d de afstand is van het zwaartepunt van het deel tot het totale zwaartepunt. De buigspanning is σ = M·y/I.

Verdeel in drie rechthoeken

Meet elke y vanaf de onderrand.

bovenflens: A = 1800 mm², y = 167 mm
lijf: A = 2400 mm², y = 87 mm
onderflens: A = 2640 mm², y = 6 mm

Zwaartepunt

ȳ = (1800·167 + 2400·87 + 2640·6)/6840 = 76,79 mm

Stelling van Steiner

bovenflens: 180·10³/12 + 1800·90,21² = 1,466 × 10⁷ mm⁴
lijf: 16·150³/12 + 2400·10,21² = 4,75 × 10⁶ mm⁴
onderflens: 220·12³/12 + 2640·70,79² = 1,326 × 10⁷ mm⁴
Ix = 1,466 × 10⁷ + 4,75 × 10⁶ + 1,326 × 10⁷
Ix = 3,267 × 10⁷ mm⁴ = 32,67 × 10⁶ mm⁴

Antwoord

Ix = 32,67 × 10⁶ mm⁴
9.Cirkel van Mohr en spanningstransformatie

Antwoord: θs = −13,28 °

Transformatie van een vlakke spanningstoestand: op een vlak dat over θ gedraaid is, geldt σ = (σₓ + σᵧ)/2 + (σₓ − σᵧ)/2·cos 2θ + τₓᵧ·sin 2θ. De cirkel van Mohr toont alle vlakken tegelijk: het middelpunt ligt bij C = (σₓ + σᵧ)/2 en de straal is R = √(((σₓ − σᵧ)/2)² + τₓᵧ²). De hoofdspanningen zijn C ± R, en de grootste schuifspanning in het vlak is R.

σxyCτmax​

Hoek op de cirkel

Op de cirkel van Mohr ligt het bovenste punt (+R) 90° van het hoofdpunt σ₁; op het element is dat 45°.

cos 2θs = 40/44,72 = 0,8944, sin 2θs = −20/44,72 = −0,4472
2θs = atan2(−20, 40) = −26,57°

Hoek op het element

θs = −13,28°
controle: θs − θp = −13,28 − 31,72 = −45°

Antwoord

θs = −13,28°

Positieve hoeken zijn tegen de klok in.

10.Cirkel van Mohr en spanningstransformatie

Antwoord: σθ = −11,01 MPa

Transformatie van een vlakke spanningstoestand: op een vlak dat over θ gedraaid is, geldt σ = (σₓ + σᵧ)/2 + (σₓ − σᵧ)/2·cos 2θ + τₓᵧ·sin 2θ. De cirkel van Mohr toont alle vlakken tegelijk: het middelpunt ligt bij C = (σₓ + σᵧ)/2 en de straal is R = √(((σₓ − σᵧ)/2)² + τₓᵧ²). De hoofdspanningen zijn C ± R, en de grootste schuifspanning in het vlak is R.

Transformatieformule

σθ = 0 + −50·−0,1736 + −20·0,9848 = −11,01 MPa

Antwoord

σθ = −11,01 MPa
11.Doorbuiging van de balk

Antwoord: δmax = 16,08 mm

Doorbuiging van balken: doorbuigingen volgen uit het twee keer integreren van de kromming M/(EI). Standaardgevallen staan in tabellen, bijvoorbeeld PL³/(3EI) voor een uitkragende ligger met een eindlast en 5wL⁴/(384EI) voor een vrij opgelegde balk onder een volledige gelijkmatige belasting. Doorbuigingen door afzonderlijke belastingen tellen op (superpositie).

Consistente eenheden

Werk in N en mm: P in N, w in N/mm (kN/m = N/mm), L in mm, E in N/mm² (GPa × 1000), I in mm⁴.

w = 8 N/mm, L = 2500 mm
EI = 2,53 × 10¹¹ N·mm²

Doorbuiging

δmax = 5wL⁴/(384EI) = 5·8·2500⁴/(384·2,53 × 10¹¹) = 16,08 mm

Antwoord

δmax = 16,08 mm
12.Doorbuiging van de balk

Antwoord: hreq = 180,1 mm

Doorbuiging van balken: doorbuigingen volgen uit het twee keer integreren van de kromming M/(EI). Standaardgevallen staan in tabellen, bijvoorbeeld PL³/(3EI) voor een uitkragende ligger met een eindlast en 5wL⁴/(384EI) voor een vrij opgelegde balk onder een volledige gelijkmatige belasting. Doorbuigingen door afzonderlijke belastingen tellen op (superpositie).

Consistente eenheden

Werk in N en mm: P in N, w in N/mm (kN/m = N/mm), L in mm, E in N/mm² (GPa × 1000), I in mm⁴.

w = 4 N/mm, L = 3500 mm, E = 11000 N/mm²

Doorbuigingseis

δallow = L/300 = 3500/300 = 11,67 mm

Benodigd traagheidsmoment

Ireq = 5wL⁴/(384·E·δallow) = 5·4·3500⁴/(384·11000·11,67) = 6,09 × 10⁷ mm⁴

Benodigde hoogte

bh³/12 = Ireq → h = (12·6,09 × 10⁷/125)1/3 = 180,1 mm

Antwoord

hreq = 180,1 mm

Kies in de praktijk de eerstvolgende standaardhoogte boven deze waarde.

13.Knik van kolommen

Antwoord: Pcr = 140,4 kN

Knik volgens Euler: een slanke kolom wordt instabiel bij Pcr = π²EI/(KL)², waarbij KL de kniklengte is: K = 1 voor scharnier–scharnier, 2 voor ingeklemd–vrij, 0,7 voor ingeklemd–scharnier en 0,5 voor ingeklemd–ingeklemd. De kolom knikt om de as met de kleinste I. De formule geldt voor slanke kolommen, waarvan de kritieke spanning onder de vloeigrens blijft.

Kleinste traagheidsmoment

Een rechthoek knikt om zijn zwakke as, met de kleinste afmeting tot de derde macht.

Imin = h·b³/12 = 60·20³/12 = 40000 mm⁴

Kniklengte

KL = 0,5·1500 = 750 mm

Kritieke belasting

Pcr = π²EI/(KL)² = π²·200000·40000/750² = 140368 N = 140,4 kN

Antwoord

Pcr = 140,4 kN
14.Knik van kolommen

Antwoord: d = 83,19 mm

Knik volgens Euler: een slanke kolom wordt instabiel bij Pcr = π²EI/(KL)², waarbij KL de kniklengte is: K = 1 voor scharnier–scharnier, 2 voor ingeklemd–vrij, 0,7 voor ingeklemd–scharnier en 0,5 voor ingeklemd–ingeklemd. De kolom knikt om de as met de kleinste I. De formule geldt voor slanke kolommen, waarvan de kritieke spanning onder de vloeigrens blijft.

Benodigde kritieke belasting

Pcr = n·P = 2·145000 = 290000 N
KL = 1·4000 = 4000 mm

Los op naar de diameter

d = (64·n·P·(KL)²/(π³E))^(1/4) = (64·290000·4000²/(π³·200000))^(1/4) = 83,19 mm

Antwoord

d = 83,19 mm

Controle: de slankheid KL/r is 192,3, dus de kolom is slank en Euler geldt.

ExamProblems · examproblems.com/courses/mechanics-of-materials