Bepaal voor z₁ = 1 + j3 en z₂ = −2 + j3 het imaginaire deel van het product z₁·z₂.
Werkblad Complexe getallen met antwoorden
1.Makkelijk
z₁ = 1 + j3z₂ = −2 + j3
Im(z₁z₂) =
2.Makkelijk
Bepaal voor z₁ = 8 + j en z₂ = −2 − j2 het reële deel van het quotiënt z₁/z₂.
z₁ = 8 + jz₂ = −2 − j2
Re(z₁/z₂) =
3.Gemiddeld
Het diagram toont z = −2 + j2. Met w = 0,5∠90°, klik op het punt dat z/w voorstelt.
z = −2 + j2w = 0,5∠90°
- 1A (4 + j4)
- 2B (1 + j)
- 3C (−4 − j4)
- 4D (2 + j2)
4.Gemiddeld
Gegeven z₁ = 5∠30° en z₂ = 3∠45°, bepaal het imaginaire deel van w = z₁·z₂.
z₁ = 5∠30°z₂ = 3∠45°
Im(w) =
5.Moeilijk
Gebruik de stelling van De Moivre om het reële deel van z⁶ te vinden voor z = 1 + j√3.
z = 1 + j√3n = 6
Re(z⁶) =
6.Moeilijk
De wortels van zⁿ = w met n = 3 en w = 8∠135° zijn zk = R1/n∠((φ + 360°·k)/n), k = 0, 1, 2. Bepaal het argument van z₁ in graden, tussen −180° en 180°.
w = 8∠135°n = 3k = 1
θ₁ = °
Antwoordenblad
- 1. Im(z₁z₂) = −3
- 2. Re(z₁/z₂) = −2,25
- 3. A (4 + j4)
- 4. Im(w) = 14,49
- 5. Re(z⁶) = 64
- 6. θ₁ = 165 °
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.