Bepaal voor z₁ = −6 − j2 en z₂ = −3 + j het reële deel van het product z₁·z₂.
Werkblad Complexe getallen met antwoorden
1.Makkelijk
z₁ = −6 − j2z₂ = −3 + j
Re(z₁z₂) =
2.Makkelijk
Bepaal voor z₁ = 7 − j en z₂ = −5 + j3 de modulus van het quotiënt, |z₁/z₂|.
z₁ = 7 − jz₂ = −5 + j3
|z₁/z₂| =
3.Gemiddeld
Het getal z = 1,5·e−j1 heeft zijn hoek in radialen. Bepaal het reële deel a.
r = 1,5θ = −1 rad
a =
4.Gemiddeld
Bepaal het argument θ van z = −8 + j6 in graden, als hoofdwaarde tussen −180° en 180°.
z = −8 + j6
θ = °
5.Moeilijk
Gebruik de stelling van De Moivre om het reële deel van z³ te vinden voor z = 1 − j.
z = 1 − jn = 3
Re(z³) =
6.Moeilijk
Gebruik de stelling van De Moivre om het imaginaire deel van z⁹ te vinden voor z = 1 + j.
z = 1 + jn = 9
Im(z⁹) =
Antwoordenblad
- 1. Re(z₁z₂) = 20
- 2. |z₁/z₂| = 1,213
- 3. a = 0,8105
- 4. θ = 143,1 °
- 5. Re(z³) = −2
- 6. Im(z⁹) = 16
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.