Bepaal voor z₁ = −7 + j7 en z₂ = 3 + j2 het reële deel van het quotiënt z₁/z₂.
Werkblad Complexe getallen met antwoorden
1.Makkelijk
z₁ = −7 + j7z₂ = 3 + j2
Re(z₁/z₂) =
2.Makkelijk
Bepaal voor z₁ = −2 − j6 en z₂ = −3 − j6 het reële deel van w = 2z₁ + 2z̄₂.
z₁ = −2 − j6z₂ = −3 − j6
Re(w) =
3.Gemiddeld
Bepaal het argument θ van z = 6 + j3 in graden, als hoofdwaarde tussen −180° en 180°.
z = 6 + j3
θ = °
4.Gemiddeld
Schrijf z = 2,5∠125° in rechthoekige vorm a + jb en geef het imaginaire deel b.
r = 2,5θ = 125°
b =
5.Moeilijk
De wortels van zⁿ = w met n = 5 en w = 32∠45° zijn zk = R1/n∠((φ + 360°·k)/n), k = 0, 1, …, 4. Bepaal het reële deel van z₃.
w = 32∠45°n = 5k = 3
Re(z₃) =
6.Moeilijk
Gebruik de stelling van De Moivre om het imaginaire deel van z⁹ te vinden voor z = −1 + j.
z = −1 + jn = 9
Im(z⁹) =
Antwoordenblad
- 1. Re(z₁/z₂) = −0,5385
- 2. Re(w) = −10
- 3. θ = 26,57 °
- 4. b = 2,048
- 5. Re(z₃) = −1,414
- 6. Im(z⁹) = 16
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.