Bepaal voor z₁ = 2 − j5 en z₂ = 3 + j3 het reële deel van het quotiënt z₁/z₂.
Werkblad Complexe getallen met antwoorden
1.Makkelijk
z₁ = 2 − j5z₂ = 3 + j3
Re(z₁/z₂) =
2.Makkelijk
Bepaal voor z₁ = −4 + j2 en z₂ = −2 − j3 het imaginaire deel van het quotiënt z₁/z₂.
z₁ = −4 + j2z₂ = −2 − j3
Im(z₁/z₂) =
3.Gemiddeld
Gegeven z₁ = 2,5∠100° en z₂ = 4∠−25°, bepaal het imaginaire deel van w = z₁/z₂.
z₁ = 2,5∠100°z₂ = 4∠−25°
Im(w) =
4.Gemiddeld
Schrijf z = 10∠35° in rechthoekige vorm a + jb en geef het imaginaire deel b.
r = 10θ = 35°
b =
5.Moeilijk
Precies één van de punten A–D is een wortel van z³ = 8∠120°. Klik erop.
w = 8∠120°n = 3
- 1A (2∠−140°)
- 2B (3,6∠100°)
- 3C (2∠120°)
- 4D (2∠40°)
6.Moeilijk
Eén wortel van z³ + 4z² + z − 26 = 0 is z₁ = −3 + j2. De coëfficiënten zijn reëel. Bepaal de reële wortel r.
z₁ = −3 + j2
r =
Antwoordenblad
- 1. Re(z₁/z₂) = −0,5
- 2. Im(z₁/z₂) = −1,231
- 3. Im(w) = 0,512
- 4. b = 5,736
- 5. D (2∠40°)
- 6. r = 2
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.