Bepaal voor z₁ = −3 − j en z₂ = 4 − j3 de modulus van het quotiënt, |z₁/z₂|.
Werkblad Complexe getallen met antwoorden
1.Makkelijk
z₁ = −3 − jz₂ = 4 − j3
|z₁/z₂| =
2.Makkelijk
Bepaal voor z₁ = −1 + j6 en z₂ = 5 + j4 het imaginaire deel van het quotiënt z₁/z₂.
z₁ = −1 + j6z₂ = 5 + j4
Im(z₁/z₂) =
3.Gemiddeld
Het getal z = 4·e−j2,5 heeft zijn hoek in radialen. Bepaal het reële deel a.
r = 4θ = −2,5 rad
a =
4.Gemiddeld
Gegeven z₁ = 3∠40° en z₂ = 1,5∠110°, bepaal het reële deel van w = z₁·z₂.
z₁ = 3∠40°z₂ = 1,5∠110°
Re(w) =
5.Moeilijk
Eén wortel van z³ + 3z² − 8z − 160 = 0 is z₁ = −4 + j4. De coëfficiënten zijn reëel. Bepaal de reële wortel r.
z₁ = −4 + j4
r =
6.Moeilijk
Precies één van de punten A–D is een wortel van z³ = 27∠90°. Klik erop.
w = 27∠90°n = 3
- 1A (3∠30°)
- 2B (5,4∠90°)
- 3C (3∠−150°)
- 4D (3∠60°)
Antwoordenblad
- 1. |z₁/z₂| = 0,6325
- 2. Im(z₁/z₂) = 0,8293
- 3. a = −3,205
- 4. Re(w) = −3,897
- 5. r = 5
- 6. A (3∠30°)
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.