De rijen x[n] = {−2, −2, 3} en h[n] = {−3, 1, −2} beginnen allebei bij n = 0. Bepaal het monster y[2] van de convolutie y[n] = x[n] ∗ h[n].
Werkblad Convolutie en LTI-systemen met antwoorden
De rijen x[n] = {2, 4, −3, −1} en h[n] = {1, 4} beginnen allebei bij n = 0. Bepaal het monster y[2] van de convolutie y[n] = x[n] ∗ h[n].
De puls x(t) = 1 voor 0 ≤ t < 1 s (elders nul) wordt aangelegd op een systeem met de impulsresponsie h(t) = 3 voor 0 ≤ t < 3 s (elders nul). Bepaal de uitgang y(1,5) bij t = 1,5 s.
De puls x(t) = 1 voor 0 ≤ t < 2 s (elders nul) wordt aangelegd op een systeem met h(t) = e−2tu(t). Bepaal de uitgang y(3) bij t = 3 s, nadat de puls is geëindigd.
De ingang x(t) = 2·cos(15t) wordt aangelegd op een systeem met h(t) = 10·e−10tu(t). Bepaal de amplitude Ym van de stationaire uitgang.
Een pulstrein heeft hoogte 5, pulsbreedte 0,8 ms en periode 2 ms. Bepaal de amplitude c2 van harmonische nummer 2, bij 1000 Hz.
Antwoordenblad
- 1. y[2] = −7
- 2. y[2] = 13
- 3. y(1.5) = 3
- 4. y(3) = 0,06643
- 5. Ym = 1,109
- 6. c2 = 0,9355
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.