De rijen x[n] = {2, −3, −3} en h[n] = {4, −3} beginnen allebei bij n = 0. Bepaal het grootste monster ymax van y[n] = x[n] ∗ h[n].
Werkblad Convolutie en LTI-systemen met antwoorden
De rij x[n] is niet nul voor n = -1…1 en h[n] voor n = -1…1, zoals getoond. Bepaal de eerste index nfirst waarbij y[n] = x[n] ∗ h[n] niet nul kan zijn.
Een systeem heeft de impulsresponsie h(t) = e−2tu(t). De ingang is een stap x(t) = 5·u(t). Bepaal de uitgang y(0,2) bij t = 0,2 s.
De puls x(t) = 1 voor 0 ≤ t < 1 s (elders nul) wordt aangelegd op een systeem met h(t) = e−5tu(t). Bepaal de uitgang y(2,5) bij t = 2,5 s, nadat de puls is geëindigd.
De ingang x(t) = 5·cos(40t) wordt aangelegd op een systeem met h(t) = 10·e−20tu(t). Bepaal de fase φ van de stationaire uitgang ten opzichte van de ingang, in graden.
Een pulstrein heeft hoogte 10, pulsbreedte 6 ms en periode 20 ms. Bepaal de gelijkstroomcomponent (gemiddelde waarde) c0.
Antwoordenblad
- 1. ymax = 9
- 2. nfirst = −2
- 3. y(0.2) = 0,8242
- 4. y(2.5) = 0,0001099
- 5. φ = −63,43 °
- 6. c0 = 3
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.