De rijen x[n] = {−1, −1, −2} en h[n] = {−1, −3, 4} beginnen allebei bij n = 0. Bepaal het monster y[1] van de convolutie y[n] = x[n] ∗ h[n].
Werkblad Convolutie en LTI-systemen met antwoorden
De rijen x[n] = {4, −2, −1} en h[n] = {−3, 3, −3} beginnen allebei bij n = 0. Bepaal het monster y[3] van de convolutie y[n] = x[n] ∗ h[n].
De ingang x(t) = 2·e−2tu(t) wordt aangelegd op een systeem met h(t) = e−4tu(t). Bepaal de uitgang y(1) bij t = 1 s.
De ingang x(t) = 1·e−6tu(t) wordt aangelegd op een systeem met h(t) = e−4tu(t). Bepaal de uitgang y(0,5) bij t = 0,5 s.
De ingang x(t) = 5·cos(30t) wordt aangelegd op een systeem met h(t) = 2·e−10tu(t). Bepaal de fase φ van de stationaire uitgang ten opzichte van de ingang, in graden.
Een blokgolf schakelt tussen 2 en 0 met periode T = 4 ms (een halve periode op elk niveau). Bepaal de amplitude c5 van zijn fouriercomponent bij 1250 Hz.
Antwoordenblad
- 1. y[1] = 4
- 2. y[3] = 3
- 3. y(1) = 0,117
- 4. y(0.5) = 0,04277
- 5. φ = −71,57 °
- 6. c5 = 0,2546
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.