Een bacteriecultuur begint met 200 cellen en groeit volgens dN/dt = k·N met k = 0,11 h⁻¹. Na hoeveel uur t zijn er 2000 cellen?
Werkblad Differentiaalvergelijkingen met antwoorden
1.Makkelijk
N0 = 200k = 0,11 h⁻¹N = 2000
t = h
2.Makkelijk
Een grootheid neemt af volgens dy/dt = −k·y met k > 0. Ze is 500 op t = 0 en 375 op t = 2 h. Bereken de snelheidsconstante k in h⁻¹.
y(0) = 500y(2) = 375
k = h⁻¹
3.Gemiddeld
Een blikje frisdrank van 4 °C wordt uit de koelkast in een kamer van 23 °C gezet. Het volgt de afkoelingswet van Newton, dT/dt = −k·(T − Tₐ). Bereken met k = 0,05 min⁻¹ de temperatuur T na 10 min.
T0 = 4 °CTa = 23 °Ck = 0,05 min⁻¹t = 10 min
T = °C
4.Gemiddeld
Los y″ + 2y′ + y = 0 op met y(0) = 2 en y′(0) = -2. Bepaal y(2).
y″ + 2y′ + y = 0y(0) = 2y′(0) = -2
y(2) =
5.Moeilijk
Los y′ + 0,5y = 8e−3t op met y(0) = 4. Bereken y(1).
y′ + 0,5y = 8e−3ty(0) = 4
y(1) =
6.Moeilijk
Een tank bevat 200 L zuiver water. Pekel met 0,1 kg zout per liter stroomt in met 4 L/min, en de goed gemengde oplossing stroomt met dezelfde snelheid uit. Na hoeveel minuten t bevat de tank 6 kg zout?
V = 200 Lm0 = 0 kgc = 0,1 kg/Lr = 4 L/min
t = min
Antwoordenblad
- 1. t = 20,93 h
- 2. k = 0,1438 h⁻¹
- 3. T = 11,48 °C
- 4. y(2) = 0,2707
- 5. y(1) = 4,208
- 6. t = 17,83 min
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.