Een radioactieve tracer heeft een halveringstijd van 14 dagen. Een monster bevat aanvankelijk 200 mg. Het verval volgt dm/dt = −k·m. Hoeveel m is er na 34 dagen over?
Werkblad Differentiaalvergelijkingen met antwoorden
1.Makkelijk
m0 = 200 mgt½ = 14 dt = 34 d
m = mg
2.Makkelijk
Bepaal voor de vergelijking y″ + 6y′ + 8y = 0 de wortel r van de karakteristieke vergelijking die het dichtst bij nul ligt. Die bepaalt hoe langzaam de oplossing uitdooft.
y″ + 6y′ + 8y = 0
r =
3.Gemiddeld
Los y″ + 6y′ + 8y = 0 op met y(0) = 3 en y′(0) = 1. Bepaal y(1).
y″ + 6y′ + 8y = 0y(0) = 3y′(0) = 1
y(1) =
4.Gemiddeld
Los y″ + 8y′ + 15y = 0 op met y(0) = 2 en y′(0) = 6. Bepaal y(1,5).
y″ + 8y′ + 15y = 0y(0) = 2y′(0) = 6
y(1.5) =
5.Moeilijk
Een systeem voldoet voor t ≥ 0 aan y″ + 3y′ + 27,25y = 136,3, startend uit rust: y(0) = 0, y′(0) = 0. Bepaal de piekwaarde ymax van zijn staprespons.
y″ + 3y′ + 27,25y = 136,3y(0) = 0y′(0) = 0
ymax =
6.Moeilijk
Een systeem voldoet voor t ≥ 0 aan y″ + 4y′ + 13y = 26, startend uit rust: y(0) = 0, y′(0) = 0. Bepaal y(1,5); hoeken in radialen.
y″ + 4y′ + 13y = 26y(0) = 0y′(0) = 0
y(1.5) =
Antwoordenblad
- 1. m = 37,15 mg
- 2. r = −2
- 3. y(1) = 0,8156
- 4. y(1.5) = 0,08555
- 5. ymax = 6,948
- 6. y(1.5) = 2,086
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.