Een grootheid neemt af volgens dy/dt = −k·y met k > 0. Ze is 200 op t = 0 en 150 op t = 3 h. Bereken de snelheidsconstante k in h⁻¹.
Werkblad Differentiaalvergelijkingen met antwoorden
Een grootheid neemt af volgens dy/dt = −k·y met k > 0. Ze is 200 op t = 0 en 40 op t = 10 h. Bereken de snelheidsconstante k in h⁻¹.
Een kop koffie van 90 °C wordt achtergelaten in een kamer van 23 °C. Het volgt de afkoelingswet van Newton, dT/dt = −k·(T − Tₐ). Bereken met k = 0,12 min⁻¹ de temperatuur T na 9 min.
Een blikje frisdrank van 4 °C wordt uit de koelkast in een kamer van 27 °C gezet. Na 12 min is de temperatuur 14 °C. Het volgt de afkoelingswet van Newton, dT/dt = −k·(T − Tₐ). Bereken de constante k in min⁻¹.
Los y′ + 3y = 10e−t op met y(0) = 4. Bereken y(2).
Een tank bevat 500 L water waarin 5 kg zout is opgelost. Pekel met 0,2 kg zout per liter stroomt in met 4 L/min, en de goed gemengde oplossing stroomt met dezelfde snelheid uit. Na hoeveel minuten t bevat de tank 53 kg zout?
Antwoordenblad
- 1. k = 0,09589 h⁻¹
- 2. k = 0,1609 h⁻¹
- 3. T = 45,75 °C
- 4. k = 0,04755 min⁻¹
- 5. y(2) = 0,6742
- 6. t = 87,97 min
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.