Een machine hoort flessen gemiddeld met 500 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 8 mL. Een steekproef van 25 flessen heeft een gemiddelde van 503,8 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 500.
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een z-toets van H₀: μ = μ₀ tegen H₁: μ ≠ μ₀ geeft de toetsingsgrootheid z = 0,97. Bereken de p-waarde p.
Van een populatie wordt beweerd dat het gemiddelde 100 is; de standaardafwijking van de populatie is bekend en is 7,5. Een aselecte steekproef van 25 waarnemingen heeft een gemiddelde van 97,03. Toets H₀: μ = 100 tegen H₁: μ ≠ 100. Bereken de p-waarde p.
Een steekproef van 16 studenten heeft een gemiddelde score van 57,25 en een steekproefstandaardafwijking van 10. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 50.
Hoe groot moet een steekproef zijn zodat het 99%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde een foutmarge van hoogstens 3 heeft? De standaardafwijking is 5. Bereken de kleinste steekproefomvang n.
In een onderzoek herstellen 90 van de 150 patiënten met behandeling A en 65 van de 100 patiënten met behandeling B. Bereken met de gepoolde fractie de toetsingsgrootheid z voor H₀: p₁ = p₂.
Antwoordenblad
- 1. z = 2,375
- 2. p = 0,332
- 3. p = 0,0477
- 4. t = 2,9
- 5. n = 19
- 6. z = −0,7979
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.