Een leverancier beweert dat de gemiddelde breeksterkte van een kabel 100 kN is; je vermoedt dat die hoger is. De standaardafwijking is bekend en is 3 kN. Je neemt een steekproef van 100 kabels en toetst H₀: μ = 100 kN tegen H₁: μ > 100 kN bij α = 0,10. Boven welk steekproefgemiddelde x̄c verwerp je H₀?
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een leverancier beweert dat de gemiddelde breeksterkte van een kabel 75 kN is; je vermoedt dat die hoger is. De standaardafwijking is bekend en is 15 kN. Je neemt een steekproef van 64 kabels en toetst H₀: μ = 75 kN tegen H₁: μ > 75 kN bij α = 0,10. Boven welk steekproefgemiddelde x̄c verwerp je H₀?
15 werknemers doen een typetest voor en na een training. Voor elke persoon wordt het verschil d = na − voor (woorden per minuut) genoteerd. Het gemiddelde verschil is 1,83 en de standaardafwijking van de verschillen is 5,9. Bereken de toetsingsgrootheid t van de gepaarde toets voor H₀: μd = 0.
Een steekproef van 16 studenten heeft een gemiddelde score van 82,88 en een steekproefstandaardafwijking van 15. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 75.
Hoe groot moet een steekproef zijn zodat het 99%-betrouwbaarheidsinterval voor een gemiddelde een foutmarge van hoogstens 2 heeft? De standaardafwijking is 15. Bereken de kleinste steekproefomvang n.
Een steekproef van 81 metingen heeft gemiddelde 502,9. De standaardafwijking van de populatie is 10. Bereken de ondergrens L van het 99%-betrouwbaarheidsinterval voor het gemiddelde.
Antwoordenblad
- 1. x̄c = 100,4 kN
- 2. x̄c = 77,4 kN
- 3. t = 1,201
- 4. t = 2,101
- 5. n = 374
- 6. L = 500
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.