Een machine hoort flessen gemiddeld met 120 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 8 mL. Een steekproef van 16 flessen heeft een gemiddelde van 114,8 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 120.
Werkblad Hypothesetoetsen & betrouwbaarheidsintervallen met antwoorden
Een machine hoort flessen gemiddeld met 200 mL te vullen. De standaardafwijking is bekend en is 15 mL. Een steekproef van 16 flessen heeft een gemiddelde van 209 mL. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ = 200.
Twee productielijnen maken hetzelfde onderdeel. Lijn 1: een steekproef van 100 onderdelen heeft een gemiddelde lengte van 68 mm, en de bekende standaardafwijking van de lijn is 5 mm. Lijn 2: een steekproef van 30 onderdelen heeft gemiddelde 70,5 mm, bekende standaardafwijking 10 mm. Bereken de toetsingsgrootheid z voor H₀: μ₁ = μ₂, met als verschil x̄₁ − x̄₂ (lijn 1 min lijn 2).
Een steekproef van 36 studenten heeft een gemiddelde score van 114 en een steekproefstandaardafwijking van 20. Bereken de toetsingsgrootheid t voor H₀: μ = 120.
In een onderzoek herstellen 30 van de 100 patiënten met behandeling A en 28 van de 80 patiënten met behandeling B. Bereken met de gepoolde fractie de toetsingsgrootheid z voor H₀: p₁ = p₂.
Een eenzijdige z-toets van H₀: μ = 50 tegen H₁: μ > 50 wordt uitgevoerd bij α = 0,01 met een steekproef van 100; de standaardafwijking is bekend en is 10. In werkelijkheid is het gemiddelde 53,8. Bereken het onderscheidend vermogen 1 − β van de toets in procenten.
Antwoordenblad
- 1. z = −2,6
- 2. z = 2,4
- 3. z = −1,321
- 4. t = −1,8
- 5. z = −0,7133
- 6. 1 − β = 92,98 %
Volledige stapsgewijze oplossingen: oefen dit onderwerp op examproblems.com.